- We hadden de vorige dag in het stasiun kereta api geïnformeerd naar de vertrektijden van de trein naar Rantauprapat en het bleek dat er slechts één trein per dag zou gaan, en wel om 7 uur in de ochtend. Ook wilden we alvast kaartjes kopen, maar dat kon pas vanaf een kwartier voor vertrek. We zouden meerijden tot aan Pematang Siantar, 128 km ten zuidoosten van Medan en de tweede stad van Noord Sumatra. Na een paar donuts met hagelslag als ontbijt installeerden we ons in een van de oude treinstellen die om half acht eindelijk in beweging kwam. Het werd een gehobbel van jewelste en de wagons schudden dat het een aard had toen de trein eenmaal een beetje vaart had ontwikkeld. In de bochten klonken er harde doffe klappen en bonken, veroorzaakt door schuifdeuren die door het heen en weer schudden open en dicht gingen, hetgeen klonk alsof een woedende man in een slechte B-film zich op een willekeurige belager afreageerde en hem alle hoeken en gaten van de coupé liet zien.
Nadat we de krottig uitziende buitenwijken van Medan achter ons hadden gelaten werd ons uitzicht bepaald door sawa's, oliepalmen en cassaveaanplant. Dat laatste gewas had vanuit de verte wel iets van hennep weg vanwege de stervormige bladeren en groeide kennelijk erg gemakkelijk want als men er een deel van in de grond stak, liep het uit en ontwikkelde het zich tot een volwassen plant. Verderop zagen we steeds meer oliepalmen die monotoon in rechte lijnen waren aangeplant en toen er later een zeer weeïge, zoete stank de openstaande raampjes binnendrong zagen we dat de palmen hadden plaatsgemaakt voor de bleekgevlekte en ingekerfde stammen van rubberbomen. Zwaar geurend als rottende kadavers lagen her en der hopen van het vuilwit gestolde latexproduct langs de spoorlijn te wachten om verzameld te worden.
Natuurlijk draafden er door het gangpad allerlei verkopers van snacks zoals kroepoek, kulit sapi (gedroogde koeienhuid), rambutan, en kacang. Een vrouw verkocht geroosterde ayam en burung. Toen ik wees op haar arme goudkleurige vogellijkjes met een kasihan en burung harus gevolgd door het klappen van mijn ellebogen, alsof die wilden zeggen dat ik misschien wél een chicken tonight zou lusten, moest ze even flauw lachen. Tevens werd de rit opgeluisterd door gitaarspelende en zingende jongens die een wel erg plichtmatige uitvoering van de oude classic 'Cotton Fields' ten beste gaven en onderwijl met 'de pet' door de trein heen schoven. De groep muzikanten breidde zich gaandeweg uit en er waren steeds meer petten te vullen.

Siantar Hotel
|
In Pematang Siantar aangekomen lieten we ons per taxi naar het Siantar Hotel rijden waar we een nette kamer met AC, heet water en TV betrokken. Het hotel zelf leek verder uitgestorven: we waren die middag de enigen die de lunch gebruikten in de eetzaal. De art deco - inrichting in donkere kleuren straalde een gemoedelijke rust uit en ik herkende de vertrekken van de foto's uit het boek "Terug Naar Negeri Pan Erkoms" van Rudy Kousbroek. De auteur had er tijdens zijn jeugd na schooltijd van het internaat verbleven, en zat er te wachten op zijn ouders die hem daar zouden bezoeken op zijn verjaardag. In 1994 (op zijn reis door Sumatra) bleek er niet veel veranderd te zijn: "In Europa, om maar te zwijgen van Nederland, is het uitzonderlijk wanneer een hotel na veertig jaar (als het niet zoals Suisse en Hamdorff en Centraal en zovele andere naar de hotelhemel is verhuisd) niet allerlei verbouwingen en stijlveranderingen heeft ondergaan – maar hier is alles nog zoals het was. De art deco -verlichting tegen de pilaren van het terras. Het glas-in-lood boven de ramen. De oorspronkelijke lichtkroon nog boven het biljart. De oude stoelen tjap Nederlands-Indië met hun gevlochten rotan zittingen in de eetzaal."
Het biljart was er niet meer, maar de oorspronkelijke lichtkroon was anno 2006 nog steeds opvallend in de eetzaal aanwezig. Inmiddels waren ook andere stoelen in gebruik genomen en er was een supergroot TV projectiescherm dat de hele dag aan stond. Maar het beste hotel in Pematang Siantar had niet veel bezoekers, en tijdens het diner die avond was er buiten ons tweeën slechts een Nederlands gezin aanwezig dat we later op onze trip in Bukittinggi opnieuw zouden tegenkomen.
Die middag verkenden we al slenterend het stadje, dat een veel gemoedelijker indruk maakte dan het chaotische en benauwde Medan. Bij de bisterminal informeerden we naar de vertrektijden van de bus naar Parapat, en we wilden het museum Simalungun op de Jl. Sudirman bezoeken, dat helaas gesloten bleek te zijn. Een kijkje in de tuin was het enige wat ons gegund was en daar zagen we bij de ingang een verweerd uitziend beeld uit de Portugese tijd. Zoals de naam van het museum al suggereerde, werden er voornamelijk voorwerpen van de Simalungun Batak tentoongesteld.

... een verweerd uitziend beeld ...
|
Bij het uitchecken de volgende ochtend bleek het om de één of andere reden niet mogelijk een taxi te bestellen; wellicht waren die in dit plaatsje in het geheel niet aanwezig, want we hadden slechts ojeks en angkots gezien. We liepen dus maar naar het einde van de jalan van het hotel waar we regelmatig de in verschillende kleuren uitgevoerde busjes heen en weer zagen rijden en lieten ons in één daarvan naar de bisterminal brengen. Daar konden we in een ander minibusje overstappen en voor Rp.8000 naar Parapat meerijden, hoewel de bijrijder vond dat Paul te veel plaats innam omdat hij 'too big' was en eigenlijk het dubbele zou moeten betalen, waarop deze maar deed alsof zijn neus bloedde.
In Parapat aangekomen bleek de ferry naar het Carolina Hotel op Samosir eiland zojuist vertrokken te zijn en moesten we anderhalf uur wachten op de volgende, zo werd ons medegedeeld bij het vertrekpunt door Samuel, 'the Fatman' een kalende forse man van in de dertig met een rond gezicht die zijn weinige lange zwarte haren tot in een staartje strak achterover had gekamd. Ik kende hem nog van een vorig bezoek; op de hoek van de pasar had hij zijn reisbureautje "PT. Dolok Silau" waar hij probeerde hulpeloos uitziende toeristen te verleiden in te gaan op één van zijn vele touraanbiedingen. We konden in zijn hok even bijkomen terwijl hij ons op de hoogte stelde van al zijn diensten. Als we na ons verblijf op Samosir naar Sibolga wilden reizen konden we van verschillende voertuigen gebruikmaken: minibus, Damri bus, grote luxe bus of Kijang. We beloofden na ons bezoek aan Samosir bij hem langs te komen en konden onze spullen even bij hem stallen terwijl we een wandeling in de buurt gingen maken. We waren beiden al eens in deze bijzondere plaats geweest en opnieuw waren we betoverd door het grote blauwe meer en de prachtige bergachtige omgeving.
Bij mijn vorige bezoek had ik het geheel gezien gehuld in een dikke smog, veroorzaakt door het vele platbranden van oorspronkelijk oerwoud nabij de grote stad Pekan Baru. Nu was het zicht heel goed en konden we het eiland duidelijk zien liggen. We zouden hier slechts twee dagen bijkomen van de vermoeiende heenreis alvorens we onze tocht zouden voortzetten. We kochten wat jeruk bij een stalletje en dronken een flesje Teh Botol in een warung voordat we op de wachtende ferry stapten. Samen met een paar bierdrinkende, rokende en blowende Indonesische freaks in jaren 70 stijl die zich verveeld verpoosden met westerse rugzaktoeristen, lieten we ons varen naar Hotel Carolina op het schiereiland Tuk Tuk. Hier betrokken we een mooie, ruime tweepersoonsbungalow met balkon in Batak stijl. Bovendien was er een behoorlijk goed en prachtig gesitueerd restaurant met een riant uitzicht op het meer waar men het inbegrepen ontbijt kon gebruiken en desgewenst kon lunchen en dineren.
Na de rest van de dag wat uitgerust te hebben in het heerlijk koele klimaat van Samosir, veroorzaakt door de grote plas water en het vertoeven op grotere hoogte, besloten we om de volgende dag een rondje op het eiland te gaan maken, hetzij per fiets, hetzij per motor. En dan was het nu tijd om te genieten van het bruisende avondleven op Samosir! Niet dus, want buiten een paar verveelde groepjes jongeren die op een paar terrassen onze aandacht probeerden te trekken met tokkelende gitaarklanken en bir Bintangs, viel er door het gebrek aan toeristen niet veel te beleven in Tuk Tuk. Nog even het thuisfront gemaild en meteen geconstateerd hoe daar de kraaien van het dak vielen terwijl wij hier 'naturel' airconditioned genoten van de rust in een bijna leeg vakantieparadijs.

De oversteek naar Samosir
|
Na het ontbijt gingen we de volgende ochtend fietsen huren bij het hotel voor de nodige lichaamsbeweging. Natuurlijk mankeerde er van alles aan de als mountainbike uitziende rijwielen. De zadels die te laag stonden afgesteld, versnellingen werkten niet goed en schakelden alsof ze nog nooit een druppeltje olie hadden gezien. Maar we besloten ons toch maar over de soms pittige heuvels richting Ambarita, het kannibalendorp, te wagen. Dit oude dorp heeft stenen wallen, traditionele Batakhuizen en stenen zetels en tafels, waarvan door de een beweerd wordt dat ze 300 jaar oud zouden zijn, terwijl ze volgens een ander van hooguit 50 jaar terug dateren. Op een speciaal stenen hakblok achter op het erf werden vroeger vijanden en criminelen onthoofd en ter plekke opgegeten.
Zoals bij alle attracties in het land stonden ook hier weer stalletjes met de nodige souvenirs, en werd van de nieuwsgierige toerist verwacht het nodige aan te schaffen. Paul kocht hier een toverstaf, een miniatuur Batakhuisje en een Bukku Lak Lak. Dit is een boek gemaakt van boombast dat als een harmonica in- en uitgevouwen kan worden en waarin in Bataks schrift de geschiedenis van dit volk en haar toverspreuken opgeschreven staan. Hierna dronken we wat fris op een terrasje van een penginapan iets verderop bij een driewegsplitsing, waarvan de gastvrouw bij ons aan tafel kwam zitten. Len was een vrouw van net veertig met een gezicht waaraan te zien viel dat ze vroeger erg knap geweest moest zijn. Eigenlijk was ze dat nog, hoewel haar gezicht behoorlijk gerimpeld was en haar wangen wat ingevallen, maar ze had nog altijd een goed figuur, een charmante lach en mooi enigszins kortgeknipt golvend haar.
Nadat ze van ons desgevraagd een paar welgemeende complimentjes ontvangen had over haar uiterlijk ('nee, we vonden haar er écht niet oud uitzien'), werd ze wat vrijpostiger en raakte ze vastbesloten om het contact met ons wat uit te bouwen. Ze stelde ons aan haar dochter voor die haar in de zaak hielp en wij mannen wilden natuurlijk ook wel eens weten hoe het met de huwelijkse staat van Len stond. Het bleek dat haar echtgenoot inmiddels alweer 18 jaar geleden overleden was aan een gemene ziekte, en Len mocht van haar schoonfamilie in het prachtig gelegen huis blijven wonen op de ongeschreven voorwaarde dat ze ongehuwd zou blijven en zo haar overleden eega bleef eren. Je zou kunnen zeggen dat de sleeping beauty in haar door ons bezoek weer eens een beetje wakker werd en ze jaren van gedwongen celibaat voor even van zich af wilde schudden.
Ze haalde haar fotoalbum tevoorschijn en vroeg bij menige foto van haar (uitgebreide) familie of we haar eruit konden halen. Diverse zussen met min of meer dezelfde gezichtskenmerken maakten dat niet altijd gemakkelijk en zo werd er wat hilariteit opgewekt die de gezelligheid ten goede kwam. Ook het protestantse kerkkoor waarvan ze lid was kwam regelmatig in het album aan bod, evenals haar drie dochters waarvan er één onlangs getrouwd was. Ook Len had het door de teruggelopen toeristenstroom moeilijk en vroeg of we bij haar de lunch wilden gebruiken en haar zodoende een beetje (financieel) konden helpen. Ze ging juist waterspinazie schoonmaken, en met gebakken vis vers uit het meer 'achter in de tuin' moest wel iets redelijks te maken zijn, dus stemden we toe maar wilden we eerst nog even een stukje gaan fietsen tot het lunchtijd was.
We reden nu over een vlakkere weg waarvan links hellingen begroeid waren met cemara's terwijl aan onze rechterkant het blauwe uitgestrekte meer er sprookjesachtig bij lag en er grote zilverreigers overvlogen. We hielden even halt bij een badende karbouw die in een bed van waterhyacint aan de oever van het meer op zijn gemak lag te herkauwen. Op de achtergrond waren vissers in smalle prauwen met netten in de weer waarmee ze enkele visjes binnenhaalden. Doordat we op de vlakkere weg vlotter konden fietsen zagen we de weg terug naar Ambarita over het hoofd en er noodgedwongen nog een aardig ommetje aan vastgeplakt werd, maar uiteindelijk vonden we het adres van Len weer terug. Ze had als lunch een kleine zoetwatervis uit het meer voor ons klaargemaakt; heel pedis en meer graat dan vis.

... badende karbouw ...
|
De waterspinazie met taugé smaakte mij persoonlijk beter dan de rest, maar ze had erg haar best gedaan en we lieten ons door haar charme overtuigen de volgende dag een wat uitgebreider toer op het eiland te gaan maken op door haar te regelen motorfietsen waarbij ik dan bij haar achterop kon. De zondagse kerkdienst kon wat haar betreft een keertje worden overgeslagen; er waren immers belangrijker zaken aan de orde: ze kon weer eens wat extra geld verdienen en het nuttige met het aangename verenigen. Len vond het gezellig met ons, en wij ook met haar. Ze sprak goed engels en kon ons zo ook als gids goed van dienst zijn, dus spraken we met haar af voor de volgende dag, namen afscheid en fietsten terug naar Tuk Tuk.
De volgende ochtend meldde Len zich bij de entree van het hotel met twee lichte motorfietsen. Naast haar eigen exemplaar had ze er eentje van haar zwager geleend die toevallig dicht bij het hotel woonde. Len had zich voor de gelegenheid in een mooie rose zijden kebaja gekleed met dito hoofdband en een nette zwarte pantalon. Om het allemaal goed te kunnen zien had ze een klein brilletje opgezet waardoor ze een wat meer intellectuele indruk maakte. De begroeting was hartelijk en we gingen op weg. Eerst nog maar even naar haar huis waar ze wat dingen te regelen had met haar dochter die haar taken vandaag in het restaurantje waarnam.
Er was die dag aardig wat drukte te verwachten want er zou die middag een voetbalwedstrijd tussen twee plaatselijke teams plaatsvinden op de alun alun, direct naast haar uitspanning gelegen. Len vond het uitje met ons echter belangrijk genoeg om voor die dag de zaak de zaak te laten. We moesten nog even wachten voor we op weg gingen want de kerkdienst moest eerst bezig zijn om geen bekenden van Len tegen te kunnen komen die haar in een ietwat compromitterende situatie zouden zien met twee westerse mannen en daar dan eventueel over zouden kunnen roddelen. Even later gingen we op weg en we hoorden tweestemmige psalmen klinken vanuit een witgekalkte kerk toen we de afrit naar het museum Bolon Simanindo namen om naar de Batakse dansen te kijken. Destijds hadden we dit laatste onderdeel overgeslagen en er alleen de toverstaf in een met spinnenwebben gevuld kastje bewonderd. De spinnenwebben waren er nog, want nog steeds had niemand de moed gehad het kastje te openen, bang voor betovering. Zo was er voor ons dus nog iets overgebleven om te bekijken en werden we getrakteerd op een uur durende Batakse dansvoorstelling die, hoewel enigszins plichtmatig gebracht, leuk was om te zien.

... lange gewaden en selendangs ...
|
Op een soort alun alun van aangestampte aarde met twee rijen Batakhuizen aan weerszijden werd de dansvoorstelling gegeven. Op de open vliering van zo'n Batakhuis had zich een orkest van vier man genesteld die de dansen moest gaan begeleiden. Drie man sloegen met stokken op trommels die in rijen waren opgehangen terwijl de vierde op een blaasinstrument speelde waarvan de klank het midden hield tussen een doedelzak en een krassende viool. Daarop kwamen vier mannen en vrouwen op het stoffige terrein in actie. Ze waren traditioneel gekleed in lange gewaden en selendangs, waarbij de heren een soort mijter en de vrouwen een kleurige hoofdband versierd met takjes boombladeren als hoofddeksel droegen.
Tijdens een bepaalde dans waarbij man en vrouw samen een brede selendang deelden werd het trouwen uitgebeeld. Onder luid 'horas'-geroep werd door de omstanders rijst in de lucht gegooid. Later mochten de toeristen (letterlijk) een duit in de zak doen en met de dansers een rondje meedansen. Len stapte meteen naar voren nadat ze ons tevergeefs had aangespoord ook mee te doen en samen met een handjevol andere toeristen danste ze op een deuntje van het orkest mee. In het midden van het plein stond al die tijd een karbouw met zijn kop in het kleine stukje schaduw dat een piepklein boompje schonk, terwijl duiven de zojuist gestrooide rijst aan het oppikken waren. Bovenin een hoge waringin boom die het gebied begrensde, vlogen zilverreigers met takken in hun bek af en aan om hun nesten te verstevigen. Letterlijk de dans ontsprongen filmden en fotografeerden wij het tafereel vanuit een beschaduwde pondok.

Len in actie
|
Nu moesten we nog even naar de heetwaterbronnen die gelegen waren vlakbij de landengte die Samosir met het vasteland van Sumatra verbond. Verplichte, doch minder interessante kost voor de gemiddelde bezoeker, die daarbij, zo hij wil, nog het heilzame water in kan. Wij gebruikten er slechts de lunch en na nog een blik op het gegraven kanaal dat er nu, in tegenstelling tot destijds, bevaarbaar uitzag, was het terug naar Ambarita en Tuk Tuk.
De voetbalwedstrijd voor de deur van Len's restaurantje was in volle gang en er was een grote toeloop van mensen die zich vermaakten met de derby en alles daaromheen. Vandaar gingen we terug naar het hotel waar ons samenzijn met Len eindigde met wie we een genoeglijke middag hadden beleefd. Helaas keek ze nog wel een beetje sip toen we met haar afrekenden en haar niet de grote extra fooi gaven die ze blijkbaar verwacht had, maar ze verwaardigde zichzelf door daar niet over te gaan zeuren en we namen afscheid als goede vrienden.