- Na een vroeg ontbijt stonden we de volgende ochtend in het donker voor onze wisma te wachten op de bus die ons zoals afgesproken bij zonsopgang zou oppikken. En inderdaad, na een kwartiertje stopte een middelgrote bus waarin uitsluitend autochtonen zaten. Met wat passen en meten konden we er nog nèt bij en terwijl de dageraad links van ons over zee voor een betoverend schouwspel zorgde, zette de bus zich in beweging over een wegdek dat de naam verkeersweg onwaardig was. Zo nu en dan werd er gestopt omdat er iemand uit moest of er weer iemand bij kwam. Hier kwamen waarschijnlijk zelden toeristen, want iedereen staarde ons met open mond aan en als ik aanstalten maakte om hen te fotograferen, dan liepen ze gauw door, of verborgen hun gezichten achter hun handen.
Dat de weg, die van Gunungsitoli via de binnenlanden van Nias naar Sirombu halverwege de westkust in een slechte staat zou zijn, daarmee hadden we wel rekening gehouden, maar niet dat er hele stukken gewoonweg zouden ontbreken. Op die plekken stonden al mannen langs de weg met scheppen en pacul in de aanslag om aarde en steengruis in de ontbrekende delen te scheppen. Overigens keken we onderweg onze ogen uit, want omdat de bus met een slakkegangetje vorderde, konden we de rustieke dorpjes met hun traditionele huizenbouw goed bekijken. Na een rit van ongeveer drie uur bereikte de bus Sirombu en op ons verzoek werd er gestopt bij het ‘kantor pos dan giro’ om een girobetaalkaart te verzilveren. Hierop ging Paul het kantoor binnen terwijl ik in de stationair draaiende bus achterbleef.
Het duurde niet lang of hij was alweer terug, helaas zonder geld. Het kantoor was wel geopend, maar er was niet voldoende cash in voorraad . Dat kon nog aardig lastig worden, want we hadden samen nog maar zo’n Rp 350.000 (ong. f 100,-) en daarvan moesten we nu zien rond te komen totdat we weer een grote stad zouden aandoen. Bij het eindstation van de bus was een kleine eenvoudige warung, waar we even op verhaal kwamen bij een glas thee met koek en pinda’s en in gesprek raakten met Herman. Hij was een slanke jongen van even in de twintig met lang haar tot op z’n schouders en een typisch Indiaans uiterlijk. In een Zuid Amerikaans land als Bolivia of Peru zou hij beslist niet opvallen. Hij wist precies hoe alles hier in elkaar stak, was op weg naar Bawa eiland en als we mee wilden moesten we hem maar volgen naar de aanlegsteiger, waar een sloep lag die elk moment kon vertrekken.
Zo liepen we later achter hem aan terwijl we werden nagestaard door een paar vrouwen die voor hun primitieve woningen stonden, terwijl peuters met snottebellen aan hun sarongs hingen. Eén van die vrouwen keek mij aan met handen die zij in de vorm had gebracht als van een verrekijker, alsof ze wilde zeggen: ‘we willen hier geen pottekijkers’. Op dat moment realiseerde ik me dat mijn fototoestel nog steeds om mijn nek hing, want fotografie, daar zijn ze op Nias nu eenmaal niet zo gek op. Daarom stopte ik even om mijn camera weg te bergen in mijn rugzak.

Becakstandplaats in Sibolga.
Aangekomen bij de aanlegsteiger bleek het een hele toer te zijn, vanwege de heftige deining die er stond, om aan boord te komen van de sloep die ons zou overvaren. Herman deed het ons voor en nadat we onze bagage aan hem hadden toevertrouwd, waagden we de sprong op het bovendek van de sloep. Het was alsof we dansten met de boot: een stap vooruit, een stap achteruit, wachten tot de boot op gelijk niveau met de kade was en dan springen. In de benedenruimte van de houten sloep waren rechte banken naast elkaar geplaatst waarop wij plaats namen, terwijl een jonge vrouw in bruidskleding en vermoedelijk haar vader met een zwarte peci op z’n hoofd naast ons kwamen zitten. Nadat Herman onze rugzakken veilig in de bagageruimte had opgeborgen, kwam hij tegenover ons zitten en terwijl de sloep al pruttelend op gang kwam raakten wij met hem in gesprek over voetballen, popmuziek en surfen, want dat waren zijn grote hobby’s.
Herman sprak een aardig woordje Engels, wat hij voornamelijk te danken had aan zijn kontakten met Australische surfers. Na een kwartiertje varen konden we in de verte een paar wazige blauwe schimmen op de ruige zeevlakte ontwaren, duidelijk omzoomd en begroeid met talloze palmbomen. Het eerste eiland heette Hinako eiland, waar deze hele eilandengroep naar vernoemd was. Hier gingen we even aan land omdat er passagiers uitstapten en er nieuwe vracht geladen werd. Nadat we thee hadden gedronken in een warung aan de kade, kozen we weer het ruime sop en kwamen een half uur later aan bij het eiland Bawa. Daar liepen we achter Herman aan, die met een sleepwagen gevuld met flessen bronwater en jerrycans petroleum op weg ging naar de hutten van een stel surfers.
Deze tocht voerde dwars door het eiland, dat dicht begroeid was met kokospalmen en na een kwartiertje kwamen we bij een stel bamboehutten waarvan er één werd gehuurd door een Deen en een Nieuw-Zeelander die hier op vakante waren om te surfen. ‘Questhouse and restaurant New Mercy’, zoals het ‘complex’ geafficheerd was, had ook voor ons een hut in de aanbieding tegen weliswaar redelijke prijs, maar slechts voorzien van één eenpersoonsbed. We hadden geen slaapzakken bij ons, zodat ik bang was dat dit wel eens een zeer spartaanse onderneming zou gaan worden. Maar ik had van Herman begrepen dat op het nabijgelegen eiland Asu wat meer accommodatie aanwezig was, hetgeen ons deed besluiten om eerst nog even daar te gaan kijken. Weer terug in de sloep werden we plotseling verrast door een reusachtige golf zeewater, die ons allemaal in één klap tot op de draad doorweekte.
Ik had zojuist het idee opgevat om vanuit de boot een foto te maken van dit eiland en net toen ik hiervoor mijn camera uit mijn rugzak had opgediept, overviel ons plotseling die grote golf water. Totaal verbijsterd bleef ik als een zoutpilaar met mijn fototoestel in mijn handen zitten, te verrast om een woord uit te brengen. Ik wist op datzelfde moment dat dit het einde van m’n nieuwe Nikon camera betekende, daar zeewater alles vernietigend werkt als het op electronica en verfijnde apparatuur aankomt. Ook Paul’s videocamera, hoewel goed opgeborgen, bleek later hierdoor aangetast te zijn. De schipper, die er natuurlijk niets aan kon doen, betuigde ons zijn diepe spijt, terwijl zijn maatje al bezig was met het helpen sorteren van de chaos waartoe onze bagage verworden was. Van de schrik bekomen voeren we op weg naar Asu eiland, en al gauw bleek dat de zee hier een stuk ruiger was.

Terug naar Sibolga.
Dat zou nog een probleem worden bij het aan land gaan, vooral omdat er geen baai of kade aanwezig was. De schipper voer hier z’n sloep gewoon een stuk het strand op, waarna zijn maatje en Herman van de boeg afsprongen, het ankertouw pakten en deze om een overhangende palmboom wikkelden. Nadat ik mijn rugzak aan Herman had toevertrouwd was het de bedoeling dat ik ook van de boeg zou springen, net op het moment dat de golven zich van het strand terugtrokken. Maar mijn sprong kwam ongelukkigerwijs niet goed getimed, zodat ik in een volle zee terecht kwam en kopje onder ging.
Alsof dat nog niet genoeg was, bemerkte ik bij het boven water komen tot mijn schrik dat ik niet bij de boot kon wegkomen. Mijn rechterbeen was namelijk verward geraakt met het ankertouw, en ik besefte maar al te goed dat dit een zeer riskante situatie was. De sloep zou door de volgende hoge golf mijn richting uit geslingerd worden, met alle risico’s van dien. Ik hoorde nog net het roepen van ‘Awas, awas!, cepat, cepat!’ door de schippersmaat en Herman, die er ook het gevaar van inzagen. Op het nippertje wist ik me te bevrijden en klauterde haastig het strand op, alwaar ik door mijn zeemaatjes opgelucht op de schouders werd geklopt. Met Paul ging het allemaal een stuk soepeler, alhoewel ook hij in ieder geval geen droge sokken hield.
Mijn fotocamera was naar de knoppen, mijn horloge leek op een portable aquarium, Paul z’n videocamera deed het ook niet meer als vroeger, maar we hadden het overleefd. Nadat we de schipper en z’n maat hadden uitgezwaaid liepen we over een inmiddels schemerig strand achter Herman aan en passeerden een aantal primitieve bamboehutten. Bij één ervan ging Herman naar binnen en verzocht ons even te wachten. Hij had ons verzekerd dat we één van die hutten zouden kunnen betrekken en dat hij dat bij zijn kennissen voor ons zou regelen, hierbij uiteraard zijn commissie niet vergetend. Even later kwam hij naar buiten, gevolgd door een man en een vrouw. Na wat overleg begrepen we dat we de ernaast gelegen hut konden betrekken voor niet te veel geld (Rp 25.000 voor twee personen) en nadat onze nieuwe huisbaas een paar matrassen voor ons in orde had gemaakt en de mandibak van vers water had voorzien, konden we ons gaan installeren voor de nacht.
Een klamboe was hier geen overbodige luxe, daar het eenvoudige vertrek niet hermetisch kon worden afgesloten. Nu hadden we nog één probleem: we hadden allebei enorme honger en we hadden nog geen teken van winkeltjes, laat staan restaurants gezien. Herman had naar een hut met lichtjes in de verte gewezen, daar zouden we een restaurant aantreffen. Daarop was hij vertrokken, ons achterlatend met onze natte spullen, die we zoveel mogelijk probeerden uit te hangen en te laten drogen. Even later liepen we in het donker naar de hut met de lichtjes, maar daar aangekomen bleek er van een restaurant geen sprake te zijn, maar meer van een eenvoudig onderkomen van een normaal gezin. De jonge vrouw die ons ontving vroeg van wie we hadden gehoord dat dit een eethuis zou zijn. ‘O, van die Herman’, zei ze enigszins geïrriteerd, ‘je moet niet alles geloven wat die jongen zegt, hij heeft ons al vaker problemen bezorgd. Maar een eenvoudige nasi goreng kan ik wel voor jullie maken, gaan jullie hier maar zitten’.

Pasar van Sibolga.
Ze wees ons een bankje en een tafel aan op haar veranda en bracht ons alvast wat pinda’s en flessen mineraalwater. De nasi goreng smaakte ons voortreffelijk, misschien omdat we zo hongerig waren, maar ook doordat de nasi een heerlijk aroma van klapperolie had wat we nog niet eerder zo geproefd hadden. Nadat we haar hadden gecomplimenteerd met deze eenvoudige maar smakelijke maaltijd raakten we nog wat aan de praat met deze hartelijke vrouw. Zo vertelde ze dat er normaal gesproken twee zeewaardige sloepen dagelijks heen en weer voeren tussen de eilanden, maar dat die nu allebei defect waren. Wel was er nog een speedboot, maar die zou alleen uitvaren als de zee kalm was. We hadden al opgemerkt dat de zee erg ruig was, maar dachten dat dit hier normaal was. De vrouw wees ons er echter op dat het volle maan was, en dan zijn de golven nog hoger dan normaal. Nadat we haar een redelijk bedrag hadden betaald voor de maaltijd verlieten we dankbaar en voldaan dit restaurant en bij het licht van de inmiddels opgekomen volle maan vonden we uiteindelijk onze hut weer terug.
Het was voor ons intussen duidelijk geworden dat we zo snel mogelijk weg moesten zien te komen van Asu. Ondanks de betoverende locatie voelden we er ons allerminst op ons gemak. Ten eerste was Herman, onze vertrouwensman, en van wie we ons min of meer afhankelijk hadden gemaakt, totaal onbetrouwbaar gebleken. Ten tweede was onze voorraad rupiah’s inmiddels aanmerkelijk geslonken en op het eiland was geen mogelijkheid om dit aan te zuiveren. Ten derde wilde ik zo gauw mogelijk in een grote stad op zoek gaan naar een Nikon dealer om m’n aangetaste camera te laten bekijken. Toch konden we nu niet om Herman heen, en toen hij de volgende ochtend bij ons langs kwam om te zien hoe het ons verging, kwamen we al spoedig met hem in gesprek over ons voornemen zo snel mogelijk weg te gaan. Het was geen probleem volgens Herman. Als we hem maar Rp 150.000 zouden betalen, zou hij diezelfde dag naar Hinako eiland varen met de speedboot, wat maar een kleine afstand was en ons daarna ophalen in een ruimere sloep voor de terugtocht naar Sirombu.
Ondanks al onze bezwaren besloten we toch maar in te stemmen, eenvoudigweg omdat er geen andere mogelijkheid overbleef. Zo zaten we die middag met onze gepakte rugzakken te turen over de ruige zee of er al een bootje in aantocht was. Maar de enige boot die we die middag zagen bleek een visserssloep te zijn die voor de kust van Asu haar netten uitgooide. Omdat we tegen schemer de zaak niet meer vertrouwden ging Paul, terwijl ik bij onze spullen achterbleef, het eiland rond om zo iemand te vinden die iets zou kunnen vertellen over wat er met Herman aan de hand was. En het bleek dat Herman helemaal niet was uitgevaren die middag. Paul trof hem aan met een stelletje vrienden, waarbij het leek alsof hij al hard op weg was ons geld te vergokken met één of ander spel. Hierop had Paul terstond ons geld teruggeëist en dat na enige aarzeling zowaar ook gekregen.

Kleurrijke pasar van Sibolga.
Die avond aten we bij een Australisch stel, Ruby en Shannon, die een klandestien restaurantje hadden opgezet en waar Paul was langsgekomen tijdens z’n zoektocht naar Herman. Ruby, een Australiër van Pakistaanse origine had een voortreffelijke visschotel klaargemaakt, en terwijl we daarvan genoten vernamen we van hem dat de eigenaar van de speedboot - op dat moment de enige zeewaardige boot van het eiland - toebehoorde aan onze buurman, de huisbaas van ons onderkomen! We zouden dus met hem moeten praten over de mogelijkheid van de oversteek. Maar we waren nog niet van Herman af. Nadat we met onze buurman voor de volgende dag hadden afgesproken, zagen we Herman met een vriend aankomen. Hij liet ons zonder omwegen weten dat hij de enige op het eiland was die bepaalde of er gevaren werd en hoeveel dat zou gaan kosten.
Ook toen we hem vertelden over de afspraak met onze huisbaas verklaarde hij dat er niets zou gebeuren zonder zijn goedvinden. En de vriend die hij bij zich had zou de speedboot besturen als geen ander op het eiland, maar dat zou Rp 200.000 gaan kosten. We konden niets anders dan proberen iets van de prijs af te krijgen, maar voor minder dan Rp 180.000 zou er niet gevaren worden. De volgende ochtend waren we reeds vroeg onze rugzakken aan het inpakken toen de vader van de buurman bij ons langs kwam. Met veel handgebaren en woorden als prahu, mesin en pantai wist de bejaarde man ons duidelijk te maken dat we naar het strand moesten voor de terugtocht naar Sirombu. We hoefden niet lang te wachten voordat er een geronk van een motor te horen was en even later verscheen er een kleine sloep, waar Herman met wapperende haren op de boeg stond terwijl z’n maat voor een enorme Yamaha buitenboordmotor zat.
Het moest snel gebeuren, aldus Herman, daar de zee in de vroege ochtenduren nog relatief kalm zou zijn. Nadat we aan boord waren gesprongen stoof de speedboot er met een rotvaart vandoor en al laverend wist de schipper z’n ijzeren schuit over de schuimende brekers te koersen. Toen we een eindje uit de kust waren ging de branding over in huizenhoge golven, die weer afgewisseld werden door immens diepe dalen. Maar de schipper wist steeds boven op de golftoppen te blijven door zig-zag te varen en zo nu en dan snelheid te temperen als een hogere golf ons dreigde te overspoelen. Na een kwartiertje varen konden we de contouren van Nias waarnemen als een langgerekte grijsblauwe streep en eerlijk gezegd waren we zo blij als kinderen tijdens een schoolreisje toen we even later weer vaste grond onder onze voeten voelden en afscheid konden nemen van Herman en zijn maat. Zo konden we weer op verhaal komen in de warung van Fred, een Chinees van middelbare leeftijd die we daar twee dagen eerder hadden ontmoet. Omdat we een paar uur op de bus naar Gunungsitoli moesten wachten raakten we met hem in gesprek, waarbij hij ons foto’s liet zien waarop hij te zien was met Pierre, een Belg die we hadden leren kennen op Asu.
Tijdens een wandeling hadden we hem aangetroffen voor zijn in aanbouw zijnde huis annex restaurant wat hij zelf optrok uit materialen die ter plekke voor handen waren. Fred had bemiddeld bij de aankoop van de grond, daar buitenlanders wettelijk geen grondbezitters in Indonesië kunnen worden. Dat de grondprijzen hier nog in een prehistorisch stadium verkeerden moge duidelijk zijn. Nadat we hadden plaatsgenomen in de inmiddels gearriveerde bus, gingen we weer verder, waarbij onder de passagiers een man opviel die een plateau verse eieren op schoot had. We waren in een wat melige bui en daarom riepen we iedere keer als de bus over een oneffen stuk wegdek reed naar de chauffeur: ‘hati hati, telur, telur’, hetgeen leidde tot grote hilariteit onder de passagiers, gezien de pikante dubbele betekenis van het woord ‘telur’. Of de eieren de rit allemaal ongeschonden doorstonden, heb ik niet kunnen vaststellen, maar bij ons stond het zweet in de handen.
De bus maakte op de smalle slechte weg af en toe beangstigende schommelbewegingen en scheerde hierbij langs diepe afgronden. De meeste passagiers leken deze rit heel normaal te vinden afgezien van één situatie, waarbij de bus, boven op een heuvelpas, door het ontbreken van een stuk weg voor een ogenblik met de achterwielen in het luchtledige draaide. Het oude vehikel balanceerde daarbij zó vervaarlijk boven een diepe afgrond dat de mensen al aanzetten tot gillen toen de bus alsnog grip kreeg op het vervolg van ‘de weg’. Natuurlijk was de chauffeur niet op het idee gekomen om zekerheidshalve iedereen even uit te laten stappen om de pas te voet te passeren, wellicht met de gedachte in het achterhoofd dat het niet eerlijk zou zijn om als enige in de diepte te storten. Het liep gelukkig goed af, alhoewel ik van een medepassagier hoorde dat er niet zo lang geleden op deze plek nog een auto de diepte in was gestort. Het spreekwoord ‘als het kalf verdronken is, dempt men de put’ was hier klaarblijkelijk niet van toepassing omdat er domweg geen geld was de zaak te herstellen.

Kleurrijke pasar van Sibolga.
Eenmaal aangekomen in Gunungsitoli stapten we in een becak waarmee we ons eerst naar een bank lieten rijden om onze rupiah’s aan te vullen. Vervolgens lieten we ons inschrijven in Hotel Hawaï, dat z’n naam beslist geen eer aan deed en brachten daar een duffe saaie avond door. We hadden van de mogelijkheid gehoord dat er een veerboot tussen Gunungsitoli en Padang zou varen, maar bij het dienstdoende kantoor hoorden we dat deze uit de vaart was genomen wegens een defect. Daarom boekten we maar voor de ferry terug naar Sibolga, die ‘s avonds om 22.30 u zou vertrekken. Ditmaal konden we echter geen eigen hut betrekken, zodat we ons moesten schikken tussen de massa beneden- en bovendeks. Kennelijk waren we niet de enigen die graag weg wilden van Nias. Onze vakantie liep tegen z’n eind, het was zondag 1 augustus en we hadden nog vijf dagen om naar Singapore via Batam eiland te reizen. Graag hadden we Padang nog aangedaan, maar dat zat er nu niet meer in.
Nadat we de oversteek slapend op een gehuurd matje onder de sterrenhemel naar Sibolga hadden gemaakt, liepen we een figuur tegen het lijf die zich (ook) Bangun noemde en eveneens een ras-bemiddelaar was. Hij zou ons tegen een kleine vergoeding aan een hotel helpen en voor ons de verdere busreis naar Pekanbaru boeken. Nu hadden we dat wel allemaal zelf kunnen uitzoeken, maar onze avonturen begonnen ons niet in de kouwe kleren te zitten, zodat een beetje hulp zeer welkom was. Zo reden we vanaf de kade van Sibolga naar hotel Taman Nauli, omdat daar volgens het Indonesia Handbook een koloniaal-achtige sfeer zou hangen. Hoewel er geen teken van leven was te bekennen kregen we te horen dat het vol was, zodat we een moderner complex betrokken, in een straat er tegenover. Het bleek daar een louche bedoening te zijn, want de manager vroeg ons of we misschien ook ‘dames’ op onze kamer wensten. Wel was het aardig om vanaf ons balkon te zien hoe ‘s avonds het gebouw leek te veranderen in een bijenkorf en hoe de werkbijen er hun ‘koningin’ opzochten.
De volgende dag werden we via de TV opgeschrikt door het bericht dat op Batam eiland onlusten waren uitgebroken, waarbij zeker negen doden waren gevallen. Het betrof een incident over parkeergelden waarbij twee bendes elkaar met parangs te lijf waren gegaan. Daarop gingen we die dag bij onze oude bekende Bangun langs voor raad. Hij adviseerde ons om vanuit Pekanbaru rechtstreeks naar Singapore te vliegen. Ook wist hij z’n raadgevingen aardig in geld om te zetten, want voor één telefoontje wilde hij maar liefst Rp 65.000 rekenen. We hadden door dit soort mensen inmiddels aardig wat lessen geleerd en Paul wist verontwaardigd na veel tawarren er de helft af te krijgen.
Sibolga is net zo min als Gunungsitoli een plezierige stad voor toeristen. Een zonsondergang mocht de stad dan een sprookjesachtig aanzien geven, voor de rest viel er nauwelijks iets te beleven. Toch mag één onderdeel van ons verblijf daar niet ongenoemd blijven, nl.: Buffet Siang Malam, het Chinees restaurant op de Jalan A. Yani. Hier aten we zowel onze lunches als diners met veel genoegen. De kok stond daar midden in het restaurant achter een enorme wok zijn schouwspel voor de etende en wachtende klanten op te voeren en het was een genoegen om te zien hoe de hele familie meewerkte om alles zo snel en goed mogelijk te presenteren.

Pasar van Sibolga.
De tocht van Sibolga naar Pekanbaru was een vermoeiende rit van dik vijftien uur, zo’n drie uur langer dan gepland i.v.m. een lekke band. Ditmaal reden we in een airco-bus, waarvan de airco zeer hinderlijk was en de meeste passagiers hadden er zichtbaar last van, getuige de dekens en sarongs waarin zij zich hadden gewikkeld. Onderweg snoven we een lucht van verbrand hout op en in Pekanbaru aangekomen om 6 uur in de ochtend zagen we dat de stad gehuld was in een dichte smog. We vernamen later dat dit weer het gevolg was van ladangbouw (slash and burn), al was het nu niet zo erg als twee jaar eerder. Op het vliegveld aangekomen hoorden we dat de toestand op Batam eiland onder controle was, zodat we daar zonder gevaar heen konden.
Wel kwamen we samen zo’n Rp 40.000 voor het vliegtuig te kort, maar de man achter de balie vond de aanvulling van twee briefjes van f 25,- interessant genoeg om ons daarvoor de nodige tickets te overhandigen. Vervolgens moesten we tot 15.00 uur wachten totdat de smog enigszins was opgetrokken en er weer gevlogen kon worden. Zo’n vijftig minuten nadat we waren opgestegen cirkelde de Fokker fellowship boven Batam eiland en later die middag betrokken we voor de tweede en laatste maal gedurende deze reis het Kolekta Hotel te Nagoya. Daar bleven we twee dagen voordat we via Singapore weer naar huis zouden terugvliegen. Zo konden we, ondanks een paar benarde situaties aan het einde van de reis, terugkijken op een boeiende en afwisselende vakantie, want wie niets wil riskeren kan beter een georganiseerde vakantie boeken, of nog beter: thuisblijven.
woordenlijst
pacul: een soort hakspade
kantor pos dan giro: post-girokantoor
Awas, awas!, cepat, cepat!: Kijk uit! Snel!
prahu: boot
mesin: motor
pantai: strand
hati hati, telur, telur: voorzichtig eieren