- Door z’n onbegaanbaarheid en felle, oorlogszuchtige bevolking was Nias eeuwenlang geen populaire reisbestemming. Bovendien stond dit eiland, iets kleiner dan Bali, en 125 km uit de westkust van Sumatra gelegen, bekend als een brandhaard van malaria en bleef daarom lang geïsoleerd van de buitenwereld en ontwikkelde een eigen cultuur. De inwoners, zichzelf Ona Niha-kinderen noemend, lijken qua lichaamsbouw inderdaad veel op kinderen met hun gemiddelde lengte van zo’n 1½ meter. Vanaf de 17e eeuw werd Nias bekend als slaveneiland en sinds 1665 kwamen de Nederlanders hier hun slaven kopen.
Onder druk van de Engelsen onder leiding van Raffles werden in 1825 onderhandelingen over afschaffing van de slavenhandel begonnen, hetgeen het startsein was voor de Nederlanders om het eiland te kerstenen. Ook de Duitse missionarissen hadden succes met het winnen van zieltjes, met name in het noordelijke deel van het eiland. In het zuiden bouwden de Nederlanders later een fort in de Lagundibaai, dat niet lang daarna door een vloedgolf ten gevolge van de Krakatau uitbarsting werd vernietigd. Het strand van het christelijke Jamborai, een paar kilometer van het Islamitische Lagundi verwijderd, werd in de jaren zeventig door Australische surfers ontdekt vanwege zijn gunstige branding.
Ook wij wilden naar het zuiden en wisten na enig informeren een minibus te regelen die de tocht voor Rp 300.000 wilde maken. Al snel kwamen we erachter waarom het zo moeilijk was iemand voor deze klus te vinden: de weg naar Teluk Dalam was de meest onmogelijke die je je maar kon voorstellen. Wat ooit een asfaltweg geweest moest zijn, bleek nu een soort keienpad van gatenkaas: meer potholes dan weg. Behalve het voortdurende gebrek aan financiële middelen voor onderhoud, bleek er ook nog een andere oorzaak voor de belabberde staat van de weg te zijn. Niet lang geleden was er nog oorlog gevoerd tussen de noorderlingen en zuiderlingen van het eiland waarbij dodelijke slachtoffers waren betreurd en de motivatie om de weg te vernieuwen was daarbij uiteraard tot het nulpunt gedaald.
De chauffeur en z’n twee bijrijders zaten aanvankelijk te rommelen aan een cassetterecorder, en omdat hun cassettes voornamelijk gebrom produceerden, kwam Paul voor de dag met een cassette met muziek die hij en ik in vervlogen tijden met onze eigen band hadden opgenomen. Tot ieders verbazing bracht deze tape wèl normale muzikale klanken voort, en al spoedig zaten we allemaal al klappend, zingend en fluitend met de muziek over de hobbelige weg mee te deinen. Nog erger dan de potholes waren de bruggen over de kali’s, die we regelmatig over moesten.
Bij één van deze bruggen moesten er eerst extra planken door wegwerkers worden aangebracht alvorens we deze konden oversteken, natuurlijk na betaling van enige biljetten rupiah’s onzerzijds. Na een vermoeiende tocht van zes uren (er kon meestal niet harder dan 20 km per uur gereden worden) bereikten we half misselijk en geradbraakt de op één na grootste plaats van Nias, Telukdalam. Nu moesten we nog het ons aanbevolen hotel Wisata Indah zien te vinden dat aan de Jl. Lagundi gelegen zou zijn, maar na wat vergeefs informeren hier en daar bracht de vermoeide chauffeur ons naar een aan het strand gelegen eenvoudig onderkomen. Te moe om verder te zoeken naar het genoemde hotel besloten Paul en ik maar om hier voorlopig onze intrek te nemen.

Moskee op Nias.
Wisata Harus Damai -Vrede Moet - was sprookjesachtig gelegen aan een wit palmstrand dat deel uitmaakte van een grote hoefijzervormige baai waar met donderend geweld de golven op het strand sloegen. Het witgepleisterde hotelletje dat uit twee verdiepingen bestond had een balkon met kitscherige pilaartjes dat uitzicht bood op het strand van de baai. De uitbater van het complex, een klein mannetje, bijna een lilliputter, kwam komisch huppelend in z’n driekwart korte broek naar ons toe en stelde zich voor als Océ. Met z’n fonkelende zwarte kraaloogjes beloofde hij er alles aan te zullen doen ons verblijf zo aangenaam mogelijk te maken, extra gemotiveerd omdat wij, vanwege het door de crisis schaarse toerisme, de eerste gasten in lange tijd waren.
Na een drankje en vragen van moeder de vrouw en haar dochters beantwoord te hebben (waar vandaan, hoe oud, getrouwd en waarom niet?) konden we ons dan eindelijk opfrissen in onze kamers, die bij nadere inspektie vele gebreken vertoonden. Zo waren er geen handdoeken en zeep, geen spiegel bij de wasbak, de kraan hing op half acht, drinkglazen en een afvalbak ontbraken en het geheel kon wel een verfje gebruiken. Omdat we tòch van plan waren om uit te kijken naar het Wisata Indah hotel maakten we ons niet te druk over deze ongemakken en gingen tegen de avond op het terras aan een tafeltje zitten en bestelden na raadplegen van de menukaart een spaghetti voor Paul en een capcai voor mij.
Dat hadden we beter niet kunnen doen, maar het was de enige manier om erachter te komen dat Océ absoluut niet kon koken. Een bijkomende reden om er niet meer te eten vormden de souvenirverkopers die onophoudelijk probeerden allerlei houtsnijwerk te slijten. We waren inmiddels heel wat gewend wat betreft opdringerigheid, maar deze lieden maakten het toch wel heel erg bont. Tijdens het eten verscheen de een na de ander met schaakspelen, popjes van surfers uit hout gesneden, halssierraden, en al lieten we duidelijk merken dat we niet van plan waren ook maar iets te kopen, bleven ze maar aandringen en trokken zelfs aan m’n mouw terwijl ik m’n capcai oplepelde totdat ik ‘t zat was. ‘Bolehkah saya makan?’ - mag ik nu eten?, vroeg ik met gemene blik en uiteindelijk dropen ze af.
Die avond zaten Paul en ik op ons balkon te kijken en te luisteren naar een onweersbui waarvan de flitsen tussen de palmsilhouetten door een spookachtig licht verspreidden, maar waarvan het geluid niet te onderscheiden was van dat van de bulderende branding in de baai.
De volgende ochtend scharrelde een kudde geiten beneden ons balkon tussen de jonge papayabomen, op zoek naar iets eetbaars. De broer van Océ, een forse gedrongen kerel die zich voorstelde als Ian, bracht ons een enorme papaya en vroeg of we misschien interesse hadden in een vistrip die we met een prahu zouden kunnen maken. Er zou ook gesnorkeld kunnen worden waarvoor hij de benodigde equipment zou verzorgen. Dat kon dan zondag gaan gebeuren, als het weer ‘t toeliet natuurlijk. We beloofden hem nog maar niets met in ons achterhoofd een mogelijke verandering van onderkomen, waarnaar we vandaag op zoek zouden gaan. Dat deden we dan ook na een ontbijt van een wel erg vette nasi goreng op ons terras, ‘vakkundig’ bereid door Océ.
We liepen daarvoor langs het schilderachtige palmstrand in de richting van het vermeende hotel, totdat er plotseling een harde plensbui losbarstte. Daarom zochten we een schuilplek onder één van de vele palmbomen en zagen daar een oude visser die er kennelijk hetzelfde over dacht. Was het niet gevaarlijk daar te schuilen in verband met vallende kokosnoten?, vroegen we de oude man. Een niet zo vreemde gedachtengang, want een kokosnoot op het hoofd kon de dood betekenen, en we keken al schuilend wantrouwig omhoog naar de potentiële killers. Hij meende echter dat er alleen gevaar te duchten was als er kelapa tua (oude kokosnoten) in de bomen hingen, en zo ver kwam het meestal niet omdat men maar al te graag de boom in klom om de kelapa muda (jonge kokosnoten) te plukken die er nu hingen. Nadat het opgeklaard was gingen we verder op zoek en kwamen terecht bij iets dat eruit zag als een bungalowpark.
Dit moest het zijn, maar toen we de prijslijst bij het hoofdgebouw bekeken besloten we het hele idee maar te laten varen en te blijven zitten waar we nu zaten. We waren immers van plan om maar een paar dagen te blijven, en zó slecht was Harus Damai nu ook weer niet. Na nog een uur te hebben rondgedwaald vonden we het wel weer tijd voor de terugtocht en kwamen langs een warung met een stel brommers waar een aantal jongens thee zaten te drinken. Twee van hen hadden wel zin om iets te verdienen, dus lieten we ons achterop zo’n rammelkast naar Telukdalam rijden. Als tweede ‘grote stad’ van Nias stelde deze plaats niet veel voor: behalve twee lanen, waarlangs een levendige pasar was ingericht, viel er niet veel te beleven. Wel zijn we wezen informeren naar de vertrektijden van plaatselijke bootdiensten richting Sibolga, want terug over die vreselijke pothole weg om van daaruit via Gunungsitoli naar het vasteland te varen, daar hadden we niet zo’n zin in. De dienstdoende ambtenaar aan het loket deed echter zó onduidelijk over de vertrektijden dat we ons, niet veel wijzer geworden, terug naar het wisata lieten brengen.

We liepen langs het schilderachtige palmstrand in de richting van het vermeende hotel.
De volgende dag kwam Ian, zoals afgesproken, met een prahu voorzien van buitenboordmotor bij ons appartement voor gevaren en in de branding van het strand stapten we in het smalle vaartuig, met veel moeite ons evenwicht bewarend. Het bleek al gauw dat Ian dit niet veel vaker had gedaan, want hij zat flink te prutsen met de motor die herhaaldelijk afsloeg, en van snorkelen had hij helemaal geen kaas gegeten. Hij zette ons buiten boord op een plek die zó diep was dat er niets onder water te zien viel. Toen ik weer boven water kwam en naar de boot terug wou zwemmen, zag ik tot m’n schrik dat deze door de stevige golfslag een flink eind was afgedreven, zodat het nog een heel geploeter was om met die onwennige flippers aan en duikbril op weer in de buurt te komen.
Paul was het zo te zien niet veel anders vergaan, want die wou niets liever dan zo gauw mogelijk terug naar de kant. Daarbij kwam z’n waterdichte slaapzakovertrek waarin hij z’n belangrijke spullen bewaarde goed van pas en als aan een reddingsboei vastgeklampt zwom hij hiermee naar de kant. Ik bleef nog wat met Ian achter in de prahu, omdat er ook nog gevist moest worden. Met de handlijn wisten we samen nog zo’n tien goudmakreeltjes te vangen voordat ook wij weer het droge opzochten. Die avond zijn we wezen eten in een restaurant waarvoor we een behoorlijk eind moesten lopen in de richting van het bungalowpark. Het eten in Harus Damai was immers niet best en bovendien kregen we er de kriebels van al die souvenirverkopers die ons aanspraken zodra we op het aan het strand gelegen terras aanschoven. Het bleek geen verkeerde beslissing er een half uurtje lopen voor over te hebben iets anders te proberen: de gegrilde visfilet die met een flinke dosis knoflook geserveerd werd bleek niet te versmaden.
Terwijl we zaten te smullen van onze beste maaltijd op Nias tot dan toe, kwam een hulpvaardige bediende een ‘obat nyamuk’ plaatsen onder onze tafel. Zo’n anti-muskieten spiraal, een brandende chemische wierook die de stekende insekten op afstand moet houden, is zeer effektief, maar erg giftig. Bovendien, toen ik terugkwam in ons appartement en ik een forse kever op mijn broek dacht te ontwaren, bleek het om een brandplek in m’n nette kaki tropenbroek te gaan, natuurlijk veroorzaakt door het brandende giftige goedje. Gelukkig had Paul een tube secondelijm bij zich en na een stukje uit de voering van de kontzak te hebben geknipt kon deze achter het ‘zwarte gat’ geplakt worden, waarna dat probleem was opgelost.
Onze laatste dag in Harus Damai was aangebroken, maar we wilden niet vertrekken zonder een bezoek te hebben gebracht aan Bawamatalao, een traditioneel dorp dat een stukje landinwaarts lag. Océ en z’n broer brachten ons daarheen en gezeten achterop hun brommers hobbelden we over de bochtige wegen naar boven. De naam Bawamatalao betekent zonneheuvel en nadat het op de brommers niet meer verder kon moesten we een stenen trap van honderd treden beklimmen voordat we terecht kwamen op een hoofdstraat die geplaveid was met grote klinkers. Tussen de karakteristieke woningen stond een imposante Ruma Raja - stadhuis -, waarvoor een twee meter hoge stapel stenen taps toelopend was opgebouwd.
De traditie wil dat hierover atletisch gebouwde mannen springen, die dit vanaf hun kind zijn regelmatig praktizeren als een training om goed in vorm te blijven voor het geval van oorlog; tegenwoordig in meer economische zin om er geld voor te krijgen van fotograferende en filmende toeristen. Dit keer kwamen ze bedrogen uit want we waren slechts met z’n tweeën en niet bereid veel geld te genereren. Ook kwam er al gauw een stoet van kinderen achter ons aan die beeldjes en kettingen trachtten te slijten, en wilden we ze fotograferen dan moest er eerst Rp 1000 per kiekje betaald worden. De brutaliteit en opdringerigheid waarmee ze ons geld probeerden af te troggelen, aangemoedigd door toekijkende volwassenen, was voor ons reden om deze weliswaar indrukwekkende plek na een korte wandeling maar weer snel te verlaten.

Sprookjesachtig wit palmstrand.
Terug in onze wisata riepen we Océ bij ons om alvast af te rekenen. We hadden zelf na iedere maaltijd of consumptie in Océ’s kasboek moeten noteren wat we hadden gebruikt; een merkwaardige gewoonte die we nog niet eerder hadden meegemaakt. Maar nu Océ zelf in zijn kasboek begon te schrijven, krassen en met rekenen op een bedrag uit kwam dat veel lager was dan wij snel uit het hoofd hadden berekend, kwam de aap uit de mouw: hij kon nauwelijks schrijven, laat staan rekenen. We wilden niet van deze omstandigheid misbruik maken, zodat Paul de achterstallige huur en consumpties netjes in zijn kasboek noteerde met de juiste bedragen er achter. Nadat we hadden afgerekend kwam Ian ons een paar jonge kokosnoten brengen en wij verdeelden onze overgebleven voorraad balpennen en ballonnen over de kinderen van de twee broers.
We hadden ons er maar bij neergelegd de volgende dag met het openbaar vervoer over de slechte weg terug te moeten rijden naar Gunungsitoli, want de veerboot vanuit Telukdalam, zo hadden we begrepen, zou (misschien) pas tegen het eind van de week vertrekken en het was nu maandag en we waren hier inmiddels wel uitgekeken. Zo reden we de volgende ochtend achterop de brommers van Ian en Océ naar Telukdalam alwaar we werden afgezet bij een reeds uitpuilende minibus, waarvan de autochtone passagiers zichzelf zichtbaar vastberaden hadden ingesteld op een slopende tocht naar de hoofdstad. Ik begon al te zweten bij het zien van dit alles en nadat ik m’n bezwaren hierover tegen Ian had geuit liep hij even weg in de richting van enkele vrachtwagens. Daardoor konden we even later in één daarvan plaatsnemen voorin de cabine naast een aardige chauffeur, nadat we onze rugzakken in de laadbak hadden gestouwd.
Natuurlijk waren er in die paar dagen geen verbeteringen aangebracht aan de erbarmelijke staat van de weg, maar de rit leek ons op de één of andere manier een stuk dragelijker dan de heenweg, hetgeen misschien te danken was aan de rijstijl van de chauffeur en zijn robuuste truck. In ieder geval kwamen we die middag heel wat minder geradbraakt aan in Gunungsitoli, alwaar we de chauffeur maar lieten stoppen bij wisma Soliga, het pension dat we eerder hadden afgewezen, maar waarvan we nu wisten dat het nog zo slecht niet was vergeleken met de overige verblijven alhier. Evenals in Harus Damai waren we ook hier weer de enige gasten en nadat we ons hadden geïnstalleerd besloten we maar alvast de boottickets te regelen voor de ferry die ons de volgende dag naar Sibolga zou brengen en ergens te gaan eten. Een goed restaurant konden we echter niet ontdekken in Gunungsitoli, zodat we ons met de keuken van wisma Soliga tevreden moesten stellen en terwijl we op de menukaart gefocust waren kwam één van de dienstdoende kamerjongens naast ons zitten.
Hij wilde weten waar we op Nias geweest waren en of het ons bevallen was. Nadat ik hem hierover had verteld vroeg hij: ‘Nog nooit op de Hinako eilanden geweest?’ Op een landkaartje van Nias in m’n Indonesia Handbook wees hij op een paar speldeknoppen ten westen van de kustplaats Sirombu. ‘Mijn familie komt van Bawa eiland, het is daar zeer primitief. Naast veel natuurschoon zijn er leuke winkeltjes en restaurants. Er komen veel Australiërs vanwege de hoge golven, zodat het meer en meer als surfparadijs in zwang komt. Heus jullie zouden er geen spijt van krijgen er heen te gaan!’ Het leek wel een reclamespot die werd vertoond voordat ons eten werd geserveerd. Maar Paul had z’n bedenkingen. We hadden immers net onze tickets voor de volgende dag gekocht en over anderhalve week zouden we weer naar huis terug vliegen. Maar het meisje dat onze capcai kwam serveren had een half woordje opgepikt (van haar broer, zoals later bleek) en moedigde het plan aan.
Als we interesse hadden zou ze de buskaartjes voor ons regelen, zodat we de volgende ochtend vroeg al op weg zouden kunnen gaan. Voor mij leek er bijna geen weg meer terug, met tegenzin ging Paul akkoord, en we gingen. Een klein weekje Hinako eilanden en dan zou er nog voldoende tijd over zijn om naar Batam eiland terug te reizen. Er was alleen nog een financieel probleem: we hadden nog geen gelegenheid gehad om een postkantoor op te zoeken en een paar postwissels te verzilveren, maar dat kon nog in Sirombu gebeuren, de laatste plaats voordat we aan de oversteek zouden beginnen naar de Hinako eilanden. Althans, volgens broer en zus. Die avond gingen we maar vroeg slapen in onze kamers die wel erg naar schimmel stonken en waarvan de mandikamers vergeven waren van de mieren.