- ‘Selamat pagi, tuan besar’ zei Mantu de volgende ochtend tegen Paul, die nog even wat videoplaatjes had geschoten in de tuin van ons hotel. ‘Selamat pagi, jongos’ antwoordde deze op koloniale toon, waarna we gedrieën in Mantu’s busje stapten en naar de veerpont reden. De rit zou ons in twee dagen over zo’n 500 km bochtige en bergachtige Trans Sumatra snelweg voeren naar Bukkitingi. De eerste dag had als eindbestemming het middelgrote stadje Padangsidempuan, en de regen die eerst aarzelend begon te druppelen, veranderde al gauw in zware stortbuien.
Bij een stuk weg waar het asfalt ontbrak kwam het busje vast te zitten en moesten Paul en ik in actie komen en al duwend en uitglijdend in de rode modder kregen we ‘m weer op gang. Het was opvallend dat de venters die met hun koopwaar op dit obstakel waren afgekomen als bromvliegen op mest, geen hand uitstaken om ons te helpen, of erger: een gelegenheid leken af te wachten om ons lichter te maken. We kwamen nog meer van dit soort plekken tegen, maar er hoefde niet meer geduwd te worden, zodat onze bezoedelde stappers de kans kregen om op te drogen.
 Jam Gadang, ook wel Big Ben genoemd | |  Fort de Kock |
Laat in de middag bereikten we Padangsidempuan, een plaats die volgens onze gidsen bekend staat om zijn salak vruchten, die op de hellingen van Gunung Lubakraya worden geteeld. Er werd ons verteld dat deze vrucht met zijn slangachtige schil graag door vrouwen wordt gegeten, daar deze gunstige eigenschappen zou bezitten in verband met de seksualiteit.
We lieten ons inschrijven in hotel Sitamiang, wat redelijk genoemd mocht worden voor een islamitisch hotel. Het was er tenminste schoon. Dat wil zeggen, totdat wij er binnenkwamen, want we hadden niet in de gaten dat we op weg naar onze kamer op de tweede etage een rood-bruin opdrogend modderspoor achterlieten op de glanzende witte tegels van de trap - een souvenir van de Trans Sumatra snelweg. De volgende ochtend werd ik gefeliciteerd door Paul, daar ik die dag mijn 47e verjaardag vierde. Zoals gewoonlijk schoot Paul wat videobeelden van ons appartement waarbij hij ditmaal ‘Happy birthday to you’ zong, en toen hij daarna het raam opende om een shot van buiten te filmen, stuitte hij op de bus van Mantu. Onze trouwe gids was juist bezig het een en ander op te ruimen in z’n witte Mitsubishi, en toen wij hem begroetten, zagen we hem staan dralen met de plastic tas waarin de overgebleven durian zat. De bus had er de vorige dag al een uur in de wind naar gestonken, zodat we hem gebaarden het ‘ding’ maar weg te doen.
Onderweg naar Bukkitingi stopten we onder andere bij een exotische tuin, waar producten groeiden als kaneel, vanille, gember, peper en ananas, en op één van de schaarse open plekken (de weg was vrijwel geheel direct omzoomd door dicht oerwoud), was te zien hoe een aap aan een lang koord op commando een kokospalm inklom om daar een ‘kelapa muda’ te plukken (uit de weg, denk om je hoofd!). Een volgende stopplaats was (weer) een warmwaterbron (gaap) en even later kwamen we bij de plaats Bonjol, alwaar de exacte locatie van de evenaar was gemarkeerd door middel van een pilaar met daarop een globe van steen. Daar werden we meteen aangesproken door souvenirs verkopende jongeren en er was zelfs een museum. Wij waren er ditmaal niet voor in de stemming, zodat we onze tocht snel hervatten.
In Bukkitinggi, hetgeen hoge heuvel betekent, namen we onze intrek in Hotel Benteng, vernoemd naar het oude Fort de Kock, dat op een steenworp afstand lag. Daar namen we met pijn in ons hart afscheid van Mantu, die de terugtocht naar Berastagi in z’n eentje moest zien te volbrengen, en maakten we kennis met Mr. Eddy, de manager van het hotel. Deze bril-dragende, snelle figuur van in de dertig, onberispelijk gekleed in z’n grijs zilver glinsterende pak, nam ons de volgende dag mee voor een verkenning van de omgeving. Zo konden hij en z’n chauffeur nog een paar leuke centen bijverdienen, want de zaken gingen niet goed in het ondermaats bezette hotel. Enigszins verzadigd door het vele sightseeën en mede door het slechte Engels van Mr. Eddy kreeg de tocht een nogal plichtmatig karakter. Zo hadden we een fraai uitzicht bij het plaatsje Tabat Patah en zagen en roken we een koffie-stamperij die werd aangedreven door een uit de Nederlandse tijd stammend watermolentje.
Erg indrukwekkend was het Balai Janggopaleis in Padang Siminyak, het recentelijk gerestaureerde paleis van de plaatselijke sultan. Vanuit de bovenste verdieping hadden we een schilderachtig uitzicht over de omgeving. Naast dit bouwwerk was een padi lumbung geplaatst, weliswaar niet zo groot, maar zeker zeer karakteristiek te noemen.

Kelapa muda voor onze monyet. Op weg naar het grote meer ‘Danau Maninjau’ kwamen we langs een zeer oud traditioneel huis nabij het plaatsje Balimbing. Deze Rumah Tua van naar schatting 300 jaar oud zou gebouwd zijn zonder het gebruik van ook maar één spijker. Het zag er dan ook uit alsof het elk moment kon instorten. Op eigen gelegenheid bezochten we die middag het Panoramapark, met z’n prachtige uitzicht op Ngarai Sianok - het Karbouwengat - en de vulkaan Singgalang op de achtergrond. De naam ‘Karbouwengat’ gaven de Nederlanders in de 19e eeuw aan deze diepe kloof doordat vele runderen, op zoek naar malse graspollen, hierin te pletter waren gevallen. Het meest opvallende gebouw van Bukittinggi was wel de grote klokkentoren in het centrum van de stad.
Deze Jam Gadang, ook wel Big Ben genoemd door de plaatselijke bevolking, werd in 1827 gebouwd en is tegenwoordig met een minangse kruin getooid. Deze Utrechtse Dom-achtige toren biedt een goed herkenningspunt voor elke toerist, daar hij als een baken in zee, tot ver in de omtrek in het oog springt. Als laatste namen we een kijkje bij het fort zelf, vlak naast ons hotel met de vulkaan Merapi op de achtergrond. Hier stonden vier oude kanonnen die op de beneden liggende stad gericht waren, als ook een vierkant aandoende bunker, waarvan wij niet konden geloven dat deze ook van 1825 zou dateren. De vorige avond bezochten we na één van onze slentertochten een bluescafé in het centrum en terwijl we daar een biertje dronken zagen we aan de wand affiches hangen waarop stond dat men hier een jungletocht kon boeken.
Er konden dagtrips gemaakt worden, maar ook trips die 3 of 4 dagen zouden duren. We raakten er in gesprek met Efi, de kroegbaas van een jaar of dertig die verklaarde dat hij deze tochten organiseerde, en als we wilden konden we over twee dagen mee. Het liefst voor meerdere dagen vond hij, maar dat kwam ons niet uit daar we al hadden geboekt voor een vlucht naar Bandung. Maar voor één dag wilden we wel. We spraken af en stonden de volgende dag bij het café klaar voor de tocht en maakten kennis met het clubje mensen dat ook meeging. Kees en Ruud, twee jongens uit Brabant van in de twintig, Christof een Deen van rond de twintig en Rudy, het hulpje van Efi, een jongen van een jaar of 18.

Een zeventig jaar oude koffie - stamperij. Efi kwam als laatste opdagen, een half uur te laat. Het was laat geworden de vorige avond, wat goed te zien was aan z’n rood doorlopen ogen. Vervolgens stapten we in een zwarte Toyota Landcruiser en reden in een half uur naar zijn ouderlijk huis. Z’n vader deed open en liet ons binnen. Terwijl Efi wat spullen opzocht schreven wij onze handtekeningen en adressen in een speciaal daarvoor bestemd gastenboek. Nadat Efi’s vader had vernomen dat wij en Kees en Ruud Nederlanders waren, begon hij een gesprek met ons in het Nederlands. Zo vertelde hij dat ze vroeger op school vaak Hollandse liederen zongen zoals ‘Waar den blanke top der duinen’. Alleen waren er hier geen duinen en werd de tekst derhalve veranderd in ‘Waar de wuivende palmbomen’. Net als Efi rookte z’n vader hierbij de ene na de andere filtersigaret, en beiden van hetzelfde merk. Nadat we op een drukke pasar wat fruit, koek en mineraalwater hadden gekocht reden we nog een stuk over onverharde wegen, totdat het niet verder meer kon en we van daaruit in een rij achter elkaar gingen beginnen aan de tocht.
Na verloop van tijd begon het woud steeds dichter te worden en zagen we af en toe fraaie orchideeën en vlinders in diverse kleuren. Ook zagen we hier en daar durians in de bomen hangen, terwijl we een geruis hoorden dat steeds dichterbij kwam. Plotseling stonden we op een open plek in het dichte woud, waar een waterval zo’n 200 meter naar beneden raasde. Het was een uitstekende plek om een beetje uit te rusten, een beetje op te frissen en te lunchen. Hier maakten Efi en z’n maatje Rudy hun rugzakken open en haalden in bananenbladeren verpakte etenswaren te voorschijn. Het werd een Padangse maaltijd: een berg witte rijst met daaromheen van die pittig gekruide hapjes, die we in warungs in glazen kastjes hadden zien liggen en waar we van het aanschouwen alleen al buikloop kregen.
Toch vielen we er met onze (gewassen) handen op aan, daar we niet in de gelegenheid waren om kieskeurig te zijn. Er was één gerecht bij dat een beetje naar omelet smaakte en er ook ongeveer zo uitzag. Na het eten hoorde ik van Rudy dat het de hersenen van een geit betrof. Nadat we allemaal verzadigd waren en wat hadden uitgerust, ging de tocht verder en niet lang daarna bereikten we weer een open vlakte, waar spiegelende sawah’s met jonge rijstplantjes een brokje beschaving vertegenwoordigden tussen die grote wildernis. Even verderop lag een piepkleine kampung afgerasterd met bamboepalen en bilik, waarachter wat kippen scharrelden. Efi vertelde dat deze eenvoudige boeren geheel in hun eigen behoefte konden voorzien; zelfs in de greppels van de sawah’s zwommen vissen als ikan mas en belut en er groeiden kruiden als jahé en sereh in het wild, om daarmee hun gerechten te kunnen kruiden.

Op de beneden liggende stad gericht. Na dit vlakke intermezzo begon de route meer bergachtig te worden en al gauw waren we bezig een vrij steile helling te beklimmen. Eenmaal boven werden we beloond met een adembenemend uitzicht aan de ene kant, terwijl een droefgeestige, met as bedekte vlakte aan de andere kant te zien was. Dit panorama werd onderbroken door zwartgeblakerde boomstronken die gekapt en vervolgens verbrand waren. De grote zwarte rookpluimen op de achtergrond zorgden voor een grimmige omlijsting. Hier stonden we met onze neuzen midden in een slash and burn project en begon Efi een verhaal over hoe Japanse en Indiase bedrijven de plaatselijke bevolking stimuleerden om oerwoud te kappen ten gunste van gewassen zoals gambir. Dit product wordt samen met betelnoot en sirih in een roesverwekkende pruim verwerkt en tevens gebruikt bij het leerlooien.
Een stuk oerwoud van voetbalveldformaat zou zo genoeg opbrengen om er een nieuwe brommer van te kopen, iets waar veel arme mensen voor schenen te bezwijken. Wat die arme mensen niet schenen te begrijpen was dat men zo doende het hele ecosysteem stukje bij beetje verstoorde, waardoor unieke natuurgebieden uiteindelijk werden getransformeerd in onvruchtbare gebieden, waar uiteindelijk niets anders meer zou groeien dan onbruikbaar alang alang gras. Terwijl we tussen deze smeulende resten liepen sloegen de rookwolken op onze ogen en longen, waardoor de voortgang behoorlijk werd gehinderd. Uiteindelijk kwamen we voor een diep ravijn te staan, wat me aan het Karbouwengat in Bukittinggi deed denken, alleen werd hier van ons verwacht dat we deze zouden afdalen.

Uitzicht op Bukittinggi vanuit het Hotel Benteng. Efi en Rudy waren al begonnen met het kappen van stukken bambu en gaven die aan ons door, zodat we die als wandelstokken konden gebruiken. Vervolgens gaf Efi aan Rudy de opdracht om Paul en mij te begeleiden, terwijl hij met Kees en Ruud voorop ging. Er was niets anders dan wat rotantwijgen om ons tijdens de afdaling aan vast te houden, en onze sportschoenen met zolen van grof profiel bewezen ons hier grote diensten. Het zag er aanvankelijk moeilijker en gevaarlijker uit dan het in werkelijkheid was, want we bereikten allemaal zonder kleerscheuren de vallei, al kwamen we er wel steeds meer besmeurd en haveloos uit te zien. Efi leek er steeds meer plezier in te krijgen en had het over griezelverhalen, waarmee ouders hun kinderen plachten te waarschuwen in dit land vol van natuurgeweld.
Zoals bij ons de grote boeman kinderen bij de waterkant en andere gevaarlijke plekken vandaan moest houden, werd hier de totok met z’n grote gestalte, z’n witte haren en rossige baard ten tonele gevoerd als het christelijke spook. Hierbij grinnikte hij vooral in de richting van Paul, die er de grap geloof ik wel van inzag. Terwijl we langs open vlaktes liepen, die steeds werden afgewisseld door sawah’s, waarin buffels de boer hielpen met het omploegen, kwam het gesprek op ontwikkelingswerk. Volgens Efi gaf Nederland wel geld aan Indonesië, maar verdween dat allemaal in de zakken van mensen in Jakarta, terwijl de gebieden waarvoor het bestemd was, arm bleven. Dan deden sommige organisaties uit Duitsland het een stuk slimmer. Die boden de plaatselijke bevolking de mogelijkheid van een lening aan. Met dat geld kon dan een buffel gekocht worden waarmee verder gefokt werd.

Erg indrukwekkend was het Balai Janggopaleis. Nadat er dan na enige tijd kalveren geboren waren, kon de betreffende boer de buffel weer verkopen, z’n schuld afbetalen en de kalveren behouden. Het bleek hier inderdaad te werken, getuige de vele runderen met kalveren die hier rondliepen. Nu kreeg Efi’s monoloog een steeds politieker gehalte en kwam het probleem van de Chinezen ter sprake. Hij vond dat de Chinezen rijk werden ten koste van de Indonesiërs en dat ze daarbij geholpen werden door de overheid in Jakarta. Dit verhaal hadden we al vaker gehoord in Indonesië en het leek wel of er steeds iets van jaloezie door die verwijten heen klonk. Waren Chinezen misschien niet gewoon handige zakenlieden, en was dat ook al niet zo tijdens de Hollandse periode? En als er dan iets misging in het land, dan kregen de Chinezen er de schuld van en stak men hun huizen en winkels in de fik.
Dit wierpen Paul en ik hem voor de voeten, maar het pakte uit als olie op het vuur. Efi: ‘Inderdaad was er tijdens de Hollanders ook een voortrekkerspositie ten opzichte van de Chinezen, maar dat is nu overgenomen door de hoge heren van Jakarta. Wist je trouwens dat Soeharto zelf Chinees bloed in zijn aderen heeft stromen? Heus, Indonesië heeft iemand als Hitler nodig, iemand die zorgt dat we voor altijd worden verlost van die Chinezen. Neem nu Sukarnoputri, als zij aan de macht komt zal er voor ons hier niet veel veranderen, want het is in Jakarta allemaal één pot nat. Vroeger werden we uitgebuit door de Hollanders, tegenwoordig is het de Orde Baru in Jakarta, dus niets nieuws onder de zon.’

Op het asfalt van het vliegveld van Padang. Na deze opmerkelijke monoloog werd de stemming van onze groep wat getemperd. Voor Paul en mij was dit één van de vele twistgesprekken waarmee je in dit land niet veel opschoot, maar voor Kees, Ruud en Christof werd het een bummer, omdat ze met Efi een trip van vier dagen hadden afgesproken, en ze dus al die tijd met een racist als gids opgescheept zouden zitten. Niet veel later begon het te schemeren en kwamen we bij een huisje in een kampung waar Efi zijn gasten voor de nacht een onderkomen zou verschaffen en waar Paul en ik afscheid van de rest namen. We werden daar door een medewerker van het Blues Café opgewacht en met de Toyota naar Bukitinggi teruggereden.
De volgende morgen reden we naar het vliegveld van Padang voor onze vlucht naar Bandung, waarbij we een tussenstop gingen maken op Batam, een eiland dat als een druppel hangt aan het economisch machtige Singapore, en waar ons volgende Indonesische avontuur verder zou gaan.
woordenlijst benteng: fort
Ngarai Sianok: het Karbouwengat
ikan mas en belut: goudvis en paling
jahé en sereh: gember en citroengras
padi lumbung: rijstschuur