- Het Bukit Kubu Hotel lag - zoals de betekenis van de naam al deed vermoeden - even buiten de stad op de top van een heuvel, omgeven door een ‘nine hole’ golfveld van gladgeschoren gazons. Daterend uit 1939, heeft dit nog nèt oud-koloniale hotel korte tijd als verbanningsoord gediend voor Soekarno en andere verzetsleiders vlak vóór de soevereiniteitsoverdracht, die er, getuige enkele bewaard gebleven foto’s, niet onplezierig vertoefden. Ook later diende het nogal eens als verblijf voor hoogwaardigheidsbekleders zoals in 1972 toen Koningin Juliana en Prins Bernhard er in suite no. 4 verbleven. Deze kamer wilden wij natuurlijk graag betrekken, maar er stond slechts één tweepersoonsbed, wat Paul en ik nu weer nèt iets te ver vonden gaan. Een jaar eerder hadden we het niet in ons hoofd gehaald hier een kamer te huren toen die omgerekend fl. 75,- per nacht had moeten kosten, maar door de lage rupiah betaalden wij nu slechts fl.16,-.
Terwijl we door het hotel liepen proefden we nog de oude sfeer van toen het nog V.O.C.- hotel heette, temeer daar het interieur nagenoeg onveranderd was gebleven. Degenen die de film ‘The Shining’ naar een verhaal van Stephen King met in de hoofdrol Jack Nicholson hebben gezien, moeten begrijpen wat voor spookachtig gevoel ons bekroop toen we in het restaurant langs het oudhollands donkerbruine meubilair met zijn zittingen van ribfluweel schuifelden. De witte matglazen art deco lampen hingen aan het met mooie sierlijsten bewerkte plafond, bevestigd aan met zwart katoen omwikkelde elektriciteitsdraden. Het veelkoppige personeel was stijlvol gekleed in zwarte terlenka broeken en rokken met keurig wit gesteven overhemden. Toen wij daar al mijmerend en fotograferend rondliepen zagen we dat het personeel zich nuttig maakte met het dweilen van de gangen en het afstoffen van de meubels, want veel gasten waren er niet. We vroegen ons dan ook af hoelang dit financieel nog vol te houden zou zijn zonder één of andere subsidie van de ook al bijna failliete overheid.

Het Tobameer.
Toen we ons een beetje geïnstalleerd en opgefrist hadden, gingen we op ons gemak het stadje bekijken dat feitelijk uit slechts één lange boulevard bestond: de Jalan Veteran. Daar heerste een gezellige drukte, vooral na de invallende schemering toen de vele warungs en eetstalletjes opengingen.
Het was etenstijd en na even zoeken vonden we het restaurant dat in de Bill Dalton en de Lonely Planet als beste werd aangeprezen: het Asia restaurant. Maar nadat wij onze bestelling hadden gedaan en tevreden ons biertje zaten te drinken ontdekte ik een flinke kakkerlak in de sambalpot, wat de eetlust toch wel iets temperde. Nadat we waren uitgegeten en de deur uitliepen sprak een Engels echtpaar ons aan met: ‘we zagen jullie zojuist voor het raam van dit restaurant zitten eten, en we wilden graag weten of het eten hier goed is’. Waarop wij naar waarheid antwoordden: ‘Het eten was zeer smakelijk, alleen zat er een beetle in de chilisauce’. Terwijl we weer doorliepen ontspon zich tussen de man en de vrouw een discussie waarbij de weerzin van de vrouw de boventoon voerde en toen we later omkeken, benieuwd als we waren naar hun besluit, zagen we dat het paar zich alsnog uit de voeten maakte.

Gunung Sinabung.
Nadat we de volgende ochtend in het restaurant van ons hotel met een ‘continental breakfast’ hadden ontbeten kwam ik buiten bij de receptie een Indonesiër van een jaar of dertig tegen die bij een witte minibus stond te wachten op de schaarse toeristen die het hotel nog bezochten. Hij stelde zichzelf in perfect Engels aan mij voor en bood ons een rondrit in de omgeving van Berastagi aan. Daar Paul nog even in het restaurant was blijven hangen om wat videoplaatjes te schieten, spraken we af dat ik na overleg hem op de hoogte zou brengen van onze verdere plannen. Een half uur nadat we hadden besloten in te stemmen stapten we in zijn Mitsubishi-busje en lieten ons naar een paar dorpen met traditionele Batak-huizen rijden. Onderweg zagen we de blauwe contouren van de Gunung Sinabung en de Gunung Sibayak zich voor onze ogen ontvouwen en daarna zette Mantu z’n busje langs de weg om ons zijn privé-tuintje te laten zien.
Door z’n geringe inkomsten, bij gebrek aan toeristen , was hij genoodzaakt met tuinieren wat bij te sprokkelen en niet zonder trots liet hij ons zijn recentelijk aangelegde moestuin zien, waarin hij voornamelijk marquisa verbouwde. Deze passievrucht, waarvan men een heerlijke vruchtendrank maakt wordt veel in de omgeving van Berastagi verbouwd en is daarom zo ongeveer dé specialiteit van de stad geworden. Hierna reden we naar het dorp Lingga, waar een longhouse stond dat 400 jaar geleden was gebouwd.: Ruma Syabul Jabu genaamd, hetgeen acht families in één huis betekent.
Toen wij via een ladder (waar vroeger op gebaard werd) dit enorme huis op palen betraden, zagen we in de grote schemerachtige ruimte een vrouw haar kind de borst geven, naast oma die een sirihpruim zat te kauwen terwijl ze wat handwerk verrichtte. Er liep een spleet door de houten vloer waarboven kinderen hun behoefte konden doen en waardoor afval naar beneden werd gegooid. De loslopende varkens en kippen onder het huis ruimden dan de boel weer op, waarbij er dus niets met ook maar enige voedingswaarde verloren ging. Op de top van Bukit Gundaling vonden we daarna een soort pretpark dat een panoramisch uitzicht bood op de stad en haar vulkanen. In dit voormalig Nederlands-Indische vakantiegebied reden veel dokars langs oude vervallen bungalows met rode pannendaken die oorspronkelijk van planters waren geweest die voor de Deli-maatschappij hadden gewerkt. Gedurende deze dag leerden we Mantu, die een Karo-Batakker was, kennen als een joviale, betrouwbare chauffeur met een rond, open eerlijk gezicht met pretogen.

De levendige pasar in het plaatsje Kabanjahé
Nadat we de levendige pasar in het plaatsje Kabanjahé bezocht hadden, gingen we bij hem thuis langs om zijn recent verworven telefoonbeantwoorder te bekijken, daar hij de werking van het apparaat niet begreep. De slaapkamer van zijn sober, enigszins verwaarloosd huisje verried zijn voorkeur voor schaars geklede blanke fotomodellen. Terwijl we aan zijn nieuwe speeltje zaten te sleutelen vertelden we hem over de fabelachtige afmetingen van een boezem die het handelsmerk vormde van Lolo Ferrari, een Frans fotomodel. Hij giechelde op hoge toon heel enthousiast en eiste van ons dat we hem een foto van haar zouden opsturen. Na deze dag lieten we al onze reserves (met Mahdi nog in het achterhoofd) varen en besloten we om Mantu de komende dagen als chauffeur-gids in te huren en ons door hem naar Bukittinggi te laten rijden.
Nadat we de volgende ochtend hadden ontbeten in het restaurant van ons hotel bewonderden we nog de oude schoorsteenmantel waarin was gegraveerd: ‘Elke gast brengt vreugde aan, hetzij bij het komen, hetzij bij het gaan’. We waren op dat moment de enige gasten en naar de gelaatsuitdrukking van de receptionist te oordelen was hij het met het laatste gedeelte van die spreuk niet eens toen wij die ochtend onze kamer afrekenden alvorens met Mantu weg te rijden.
Bij het plaatsje Tongging hielden we een stop waar we volledig in beslag genomen werden door een schitterend panorama: het Tobameer, één van de grootste zoetwaterplassen ter wereld met een duizelingwekkende maximale diepte van 450 meter en ongeveer 100.000 jaar geleden ontstaan na een gigantische vulkaanexplosie. Toch was te zien aan de hand van de oevercontouren dat het waterpeil in het verleden een stuk hoger moest zijn geweest. De langdurige droogte van het jaar daarvoor zal daar zeker debet aan zijn geweest. Vanuit deze hoek was ook een grote waterval te zien die met groot geweld zo’n honderd meter naar beneden kletterde: de ‘Sipisopiso’, hetgeen zoiets als scherp mes betekent.

Het Silintong Hotel.
Vervolgens brachten we een bezoek aan het plaatsje Purba, waar één van de indrukwekkendste langhuizen van de Bataklanden gespaard was gebleven voor de Japanse bommen, die er in de 2e wereldoorlog vielen. De laatste raja, Tuan Mogang, had hier van 1933 tot 1947 geregeerd, waarna hij op raadselachtige wijze in het niets was verdwenen. Buiten dit paleis stond een bronzen borstbeeld op een brok graniet ter nagedachtenis aan deze laatste (bebrilde) raja van Purba, die uiterlijk veel gelijkenis vertoonde met Puji, de laatste keizer van China. Verder op weg naar het Tobameer zagen we aapjes langs de weg die zich te goed deden aan het afval dat door slordige toeristen was achtergelaten. Voordat we de veerboot naar TukTuk op Samosir eiland namen kochten we in het stadje Parapat een paar durians en nadat we van een adembenemende zonsondergang hadden genoten tijdens de oversteek, betrokken we het keurige Silintong Hotel, direkt gelegen aan het Tobameer.
Vlak na aankomst sloop Mantu als een dief in de nacht met de twee durians achterom naar het terras van onze kamer, omdat deze sterk riekende vruchten algemeen geweerd worden in hotels. De volgende dag hadden we een rustdag ingelast om eens een beetje op adem te komen, het dagboek bij te werken, kaarten te schrijven en met volle teugen te genieten van de prachtige lokatie. Die avond werd een Duits gezelschap vermaakt door een Batakse folkloristische groep in de eetzaal van ons hotel, daarbij in hun moedertaal toegesproken door een Batakse gids. Zittend op het aangrenzende terras en genietend van een biertje, zagen we hoe er af en toe een man of vrouw werd uitgenodigd om op de zoete krontjong melodieën mee te dansen en werd er regelmatig hysterisch door het gezelschap gelachen om de houterige probeersels van het slachtoffer, dit alles vereeuwigd door flitsende fotocamera’s. Omdat wij bang waren dat één van ons (of ieder!) ten dans gevraagd kon worden, lieten we het maar bij één biertje en verkozen we nog wat op het balkon van onze kamer te vertoeven. Samosir liet een verlaten indruk achter, en zonder toerisme leek het op een spookeiland. Behalve het Duitse clubje hadden we geen andere toeristen gezien.

De ouderwetse batakhuizen staan keurig op een rijtje, zoals bij ons in Nederland een dorpsstraat eruit ziet.
De enige activiteiten die wij de volgende dag tijdens een rondrit op het eiland zagen waren de voorbereidingen van een bruiloft die zich daar zou gaan voltrekken. De vrouwen waren in hun mooiste kleren bezig aan de bereiding van de feestmaaltijd terwijl de mannen op een schaduwrijke plek gezellig zaten te kletsen. Even later kwamen we bij het dorp Ambarita, waar de ouderwetse batakhuizen keurig op een rijtje stonden, zoals bij ons in Nederland een dorpsstraat eruit ziet. Zoals bij zo vele traditionele woningen in heel Indonesië had ook hier het originele atap helaas plaats moeten maken voor roestige golfplaten. Nadat we een toegangskaartje hadden gekocht werden we rondgeleid door een gids die ons voorging in één van die huizen. ‘In dit huis woonden vier families’, begon hij, terwijl onze ogen nog moesten wennen aan de duisternis die er in dit benauwde, stoffige vertrek heerste. ‘Er waren geen aparte kamers, dus moest een sarong voor privacy zorgen’, en hierbij demonstreerde hij een denkbeeldige sarong die om twee personen werd gewikkeld. ‘Vrije sex was taboe, en deed men dit toch’, hierbij maakte hij het bekende gebaar met de vinger langs de keel, ‘dan werden de schuldigen onthoofd’.
Tegenwoordig werd men voor een dergelijk vergrijp uit de gemeenschap verstoten. En waren er stoute kinderen, nu wees hij naar iets wat het midden hield tussen een houten trog en een kribbe, ‘dan werden die hierin gelegd en uitgerookt’. Toen wij hem vroegen wat dat nou precies inhield haalde hij z’n schouders op en zei: ‘men stookte een klein vuurtje onder die lastpakken en zorgde er voor dat ze nèt niet stikten’. Hierna liepen we achter hem aan naar een patio, waar zich naast een oude waringin een executie-plaats bevond. Er stonden stoelen van graniet in een kring en er was een standbeeld van een persoon die als scherprechter uitgebeeld was en van wie de gezichtsuitdrukking merkwaardig veel gelijkenis vertoonde met die van onze Toba-batakse gids. ‘De misdadiger die hier werd terechtgesteld’, vervolgde hij, ‘moest na zijn galgemaal op een stenen hakblok gaan liggen, waarna hij met een toverstaf gepijnigd werd terwijl de beul een toverspreuk uitsprak’.

Zonsondergang op het Tobameer.
Om dit te demonstreren nam een acterende vrijwilliger plaats op de strafbank en liet een overdreven gekreun horen als de staf hem raakte. ‘En dan, Horas, hoofd eraf, waarna het hart en de lever uit het lichaam werden gesneden en, vegetariër of niet, met citroensap en knoflook door de omstanders rauw werden opgegeten’. Deze laatste zin sprak hij slissend uit waardoor het leek of z’n speekselklieren extra geactiveerd werden. Hij had het nog over de missionarissen die eind vorige eeuw kwamen om deze mensen te bekeren tot het christendom en deze praktijken verboden. Ik vroeg hem of hij wel eens van Van der Tuuk gehoord had, de grote antropoloog en taalkundige, die er om bekend stond dat hij altijd een Edammer kaas bij zich had, waar hij ook stond of ging. Hij had een groot deel van de bijbel in het Bataks vertaald en veel Batakse sages in het Nederlands.
Hij kende de naam en het verbaasde hem schijnbaar dat ik daarvan wist, want zijn mond zakte half open toen ik over hem begon. Net als bij andere bezienswaardigheden waren ook hier weer de vele stalletjes met souvenirs en voordat we naar ons busje terug konden moésten we er langs lopen. De vrouwen die bij deze stalletjes stonden, drongen zich zo op en keken daarbij zó vijandig alsof ze ons ter plekke rauw zouden opeten als we niets zouden kopen. Paul zei iets in de trant van dat z’n huis te klein was voor al die spullen, waarop er prompt een vrouw aankwam met een miniatuur Batakhuisje.

Wat we nu nog zagen van het kanaal was niets meer dan een drooggevallen, dichtbegroeide greppel.
Later die dag zagen we in het museum Huta Bolon Simanindo zo’n zelfde toverstaf staan als die waarmee de vrijwilliger bewerkt was, alleen was dit een originele. Hij was van donker hout vervaardigd, ongeveer 150 cm lang en bewerkt als een totumpaal met aan het uiteinde een kop waaruit een staart van mensenhaar stak. Het viel echter wel op dat de glazen vitrine waarin hij tentoongesteld stond, van binnen zo stoffig was en met spinnenwebben doorweven, dat het leek dat er nooit een stofdoek aan te pas was gekomen. Volgens Mantu durfde niemand die kast open te maken, bang dat men was om betoverd te worden.
Op de terugweg naar ons hotel kwamen we langs een plek waar de Nederlanders in 1906 een kanaal hadden gegraven waardoor Samosir van een schiereiland een eiland werd. De plaatselijke bevolking was destijds nogal bang dat door deze ingreep het eiland, dat als een steelpan aan het vasteland was verbonden, in het meer zou wegzinken. De toenmalige assistent-resident ging daarop onder een waringin zitten die op het eiland stond, en liet zo zien dat er niets kon gebeuren. Wat we nu nog zagen van het kanaal was niets meer dan een drooggevallen, dichtbegroeide greppel. Terug bij het hotel stelde ik voor nog een foto van ons drieën te maken, waarbij me sterk het gevoel bekroop hier zeker ooit nog eens terug te zullen komen.
woordenlijst
dokar: paard en wagen