- De volgende ochtend toen we in de lounge aan het ontbijt zaten, verscheen Mahdi met een andere chauffeur dan Yon. Deze kon niet weg, zo vertelde Mahdi, want juist die nacht was zijn zus overleden, een zeer onwaarschijnlijk verhaal vooral in het licht van Yon’s twijfel de avond ervoor; maar nadat we de gemaakte afspraken nog eens bestendigd hadden, was zijn vervanging voor ons verder geen probleem. Alleen rookte Adam en moesten er dus sigaretten voor hem gekocht worden, uiteraard op onze kosten.
Toen we onze koffie en thee op hadden, reden we even later in dus alweer een andere Toyota door het drukke Banda Aceh, en nadat Paul een fraaie, met zilver beslagen kris had aangeschaft in een plaatselijke antiekzaak, waren we via Sigli en Bireuen op weg naar het bergachtige binnenland van Aceh. In de buurt van Blanrakal zagen we een oude vervallen spoorbrug destijds aangelegd door de Nederlanders half weggeroest en overwoekerd door planten. Niet lang daarna verschenen de eerste vergezichten.
Onderweg werd gestopt bij een rumah makan waar we een nasi padang nuttigden en Mahdi en Adam maar eens trakteerden, hetgeen door Mahdi met een onverschillig schouderophalen geaccepteerd werd. Een eerste teken van wat komen zou. Weer op weg begon het stevig te regenen waardoor de weg begon te banjiren. Parallel daarmee begon ook de sfeer in de wagen te betrekken: het ging er steeds meer op lijken dat Mahdi nog maar één ding in gedachten had: het incasseren van het geld. De daarbij behorende rit leek hij als een noodzakelijk kwaad te zien en hij werd dan ook gaandeweg steeds sacherijniger. Na nog een leuke stop bij Lampahan waar we de warmwaterbronnen bekeken en, gezien de bijzondere belangstelling voor ons bezoek, de indruk kregen dat hier vrijwel geen blanke kwam, ging het verder naar Takengon.

Vergezicht
Het was inmiddels minder hard gaan regenen, maar de sfeer in de auto wilde nauwelijks opklaren en we begonnen dan ook onze bedenkingen over het voortzetten van de tocht onder de vrolijke leiding van Mahdi te krijgen. In Takengon aangekomen reed Adam ons naar het duurste plaatselijke hotel, fraai aan het Tawarmeer gelegen, alwaar de heren slaafs achter ons aan liepen naar onze kamer. Nadat ze zich aan onze luxe suite vergaapt hadden en er een benauwde stilte was gevallen, vroeg Mahdi met beverige stem: ‘Waar moeten wij nu slapen?’, waarop Paul antwoordde: ‘Dat weet ik niet, jullie zouden immers voor je eigen onderdak zorgen?’. ‘Bovendien had je het over goedkope kamers van Rp 20.000 en nu breng je ons naar dit dure hotel’. Hij keek ons daarop strak aan en kon niets anders uitbrengen dan een onzeker ‘ja, ja’, waarna hij en Adam de kamer verlieten met onduidelijke bestemming na voor de volgende ochtend om 07.00 uur afgesproken te hebben.
Die avond aten we in de Sari Rasa Coffee shop van ons Renggali Hotel en vonden leuke afleiding in een gesprek met een gepensioneerde Australiër die ons zijn visitekaartje gaf waarop stond: ‘Neville Phipps’, nice person. Hij reisde in z’n eentje heel Indonesië door, en als zijn visum na twee maanden dreigde te verlopen ging hij even naar Singapore, waarna hij er weer twee maanden tegenaan kon. Hij klaagde alleen over de Aziatische toiletten, een eufemisme voor ‘gat in de grond’, die hij overal verstopt achter liet met proppen toiletpapier (men gebruikt hier immers een fles water of de gayung i.p.v. toiletpapier). Nadat we gezamenlijk een paar flessen Bir Bintang soldaat hadden gemaakt zochten Paul en ik weer onze kamer op en raakten in gesprek over Mahdi, wiens stemming in 1½ dag tijd was omgeslagen van enthousiast naar negatief bedrukt.
We hadden al gemerkt dat hij zich steeds hebberiger begon op te stellen naarmate we langer met hem omgingen, hetgeen leidde van het dwingerige ‘geef eens een sigaret’ tot het ongevraagd bestellen van koffie op onze kosten. Zijn gedrag en manier van kijken deed ons sterk denken aan dat van onze vroegere vriend en medemuzikant van Indonesische oorsprong P.M. Deze was een meester in het misbruiken van situaties en had een ellenlange waslijst van voor altijd afgehaakte vrienden bij wie hij het te bont had gemaakt. Ik leerde hem op 15-jarige leeftijd kennen op wat toen nog de ambachtsschool genoemd werd en kwam regelmatig bij hem thuis in O. alwaar zijn moeder - zomer of winter - altijd naast de loeiende gashaard ineengedoken in haar fauteuil te vinden was. Later speelden we gezamenlijk in een plaatselijke popgroep, waarbij ik steeds de huur van de repetitieruimte voorschoot evenals het geld voor verschillende vakantietrips zonder er ooit een cent van terug te zien.

In de buurt van Blangrakal zagen we een oude vervallen spoorbrug destijds aangelegd door de Nederlanders half weggeroest en overwoekerd door planten.
We moesten er niet aan denken nog eens twee dagen met Mahdi te moeten doorbrengen, en besloten hem mede te delen geen prijs meer op zijn diensten te stellen; uiteraard na ons ervan vergewist te hebben dat er een andere manier was om naar Kutacane, de volgende stop, te reizen. Die avond gingen we dus in het stadje informeren hoe het met de mogelijkheden daartoe was en het bleek geen probleem om van het openbaar vervoer gebruik te maken. De volgende ochtend zaten we om 07.00 uur aan het ontbijt en terwijl we genoten van de heerlijke omelet met champignons op onze borden, kwamen Mahdi en Adam opgewekt en vol verwachting binnen, denkend aan het volgende gouden ei dat de kip zou gaan leggen (het was immers minstens een heel maandloon dat ze in een paar dagen tijd zouden gaan verdienen). Paul viel met de deur in huis en zei in zijn beste Bahasa (om zich voor Adam, die geen Engels verstond, verstaanbaar te maken) wat wij op onze hati hadden en dat we besloten hadden om met de plaatselijke bus verder te reizen.
Van het ene moment op het andere keek Mahdi als versteend en schoot het door hem heen dat hij ongewild z’n kip met de gouden eieren had geslacht; gezichtsverlies was zijn deel, tegenover ons, tegenover z’n gezin en tegenover iedereen bij wie hij had opgeschept over z’n ultieme deal. Krampachtig probeerde hij alles nog recht te praten, maar wij hadden er schoon genoeg van. Even bleef het stil, totdat Paul de resterende Rp 100.000 van het hem rechtmatig toekomende deel te voorschijn haalde en het hem met een bedankje voor bewezen diensten overhandigde. Met een ‘is dit alles?’ gaf hij opnieuw te kennen zich de afspraken niet goed te (willen) herinneren (we hadden hem al een voorschot gegeven). Terwijl hij en Adam nog wat in de hal van ons hotel bleven hangen in de hoop dat we van gedachten zouden veranderen, gingen Paul en ik onze rugzakken van onze kamer ophalen, lieten een taxi komen, rekenden de kamer af en haastten ons naar het dorpsplein om de bus van 09.00 uur te halen.
Even later klommen we in een overvolle bus waar rook van krètèksigaretten een doordringende kruidnagelgeur verspreidde in de benauwde atmosfeer. De jongen die onze rugzakken bovenop de bus smeet zei op mijn ‘hati hati’ ‘no problem’, maar echt geruststellen kon hij mij niet. Nadat de bus had getankt konden we vertrekken en al schuddend en hobbelend zocht de bus zijn weg over smalle bochtige wegen naar boven, waarbij regelmatig werd gestopt om de oververhitte motor met putsen water uit een greppel langs de kant af te laten koelen. Op één van die bochten zagen we een zwaar bepakte fietser naar boven klauteren, waarop Paul en ik elkaar met een blik van verstandhouding aankeken (we zijn beide enthousiaste fietsers). Onderweg werd ook gestopt bij een zeer primitieve rumah makan, waar we , bij het ontbreken van bestek, genoodzaakt waren met onze handen te eten. Na een veel te korte pauze toeterde de bus alweer en betaalden we gehaast een veel te hoog bedrag voor een karige maaltijd.

Onderweg naar Takengon werd gestopt bij een rumah makan.
In Blankejeran moesten we overstappen in een minibus voor het laatste stuk naar Kutacane en toen deze wegreed waren we met een man of tien opeengepakt onderweg. Althans zo leek het want al snel werd er weer gestopt en moesten er nog meer mensen met hun bagage bij, totdat we welgeteld met z’n twintigen als zwetende sardientjes op elkaar gevouwen de rit uitzaten in een overbeladen minibus op een steeds slechter wordende weg. Terwijl we door het open raampje naar frisse lucht hapten, werd de krappe ruimte gevuld met nog niet eens zo slecht klinkende Arabeske muziek, hard dreunend als was het een belangrijk onderdeel van de motor van het busje.
Scherpe uitsteeksels van de onklaar geraakte stoeltjes priemden door onze kleding heen en veranderden door het horten en stoten van het voertuigje in onprettig marteltuig, welk ongemak we gelaten doorstonden. Zes uur lang duurde deze rit en toen we dan eindelijk om 08.00 uur ‘s avonds in het reeds duistere en regenachtige Kutacane aankwamen, besloten we na enig overleg te overnachten in hotel Mastamata, met afstand het smerigste logement waar we ooit logeerden, en we wisten dan ook niet hoe snel we de volgende dag moesten wegkomen.

Het uitzicht vanuit het eethuis
Toen we ons losmen verlieten stopte als op commando een bus precies voor de deur richting Medan. Omdat de bus regelmatig met problemen kampte, doodden we de tijd met het uitdelen van zoute drop (die de meeste Indonesiërs niet schenen te lusten) en ballonnen (die ze weer niet opgeblazen kregen, zodat ik dat maar voor hun deed). Daarna werden we bij één van de vele warungs op de koffie gevraagd door aardige vrouwen en meisjes die ons het hemd van het lijf vroegen zoals: waarvandaan, waarheen, hoe oud , waarop Paul schalks antwoordde ‘dua puluh dua’, maar daar trapten de dames niet in en raadden ‘empat puluh’ wat een stuk dichter bij de waarheid lag.
De bus toeterde, zodat ik gehaast op aandringen van de giechelende dames de koffie maar van het schoteltje af slurpte voordat ik me weer snel naar de bus begaf. De reparaties mochten niet baten, want spoedig werd voor de zoveelste keer gestopt waarna het sleutelen opnieuw begon. Omdat het dit keer nogal lang leek te gaan duren greep Paul de kans aan om even op de plaatselijke pasar van Perbulan te gaan kijken. Ik besloot maar in de buurt van de bus en onze barang te blijven en vroeg op zeker moment aan de chauffeur hoe lang het nog ging duren, waarop hij: ‘sebentar lagi’ antwoordde, maar toen ik weer op mijn plaats zat zag ik tot mijn schrik dat onze rugzakken van de bus werden gehaald en overgeheveld in een minibus.
Mij werd verzocht daarin plaats te nemen waarop ik duidelijk maakte dat mijn sobat richting pasar was gelopen en saya tidak tahu waar hij uithing. Gelukkig duurde het niet lang voordat hij kwam opdagen en direkt daarna konden we de tocht in alweer een bomvolle minibus voortzetten. Onze rugzakken waren nu veilig in de bagageruimte achter in de bus opgeborgen, dit in tegenstelling tot de spullen van de Indonesiërs, voornamelijk bestaande uit zakken met koffiebonen, pepers, rijst en andere gewassen die niet al te degelijk bovenop het busje waren vastgebonden zodat er regelmatig eentje lostrilde door het hobbelen van de bus en met een smak in de berm terechtkwam. Dan moest er worden gestopt en kon de bijrijder de spullen bij elkaar zoeken, wat steeds weer enige tijd in beslag nam omdat de zakken open raakten en de inhoud zich over het wegdek verspreidde.
Op ongeveer 7 km afstand van Berastagi was voor ons de rit ten einde, en omdat de minibus een andere eindbestemming had, moesten we uitstappen. Wij hadden voor de totale rit reeds betaald in de kapotte bus, maar de chauffeur van de minibus verlangde van ons, waar ik al bang voor was geweest, om voor ‘onkos’ te betalen, wat wij natuurlijk niet accepteerden hetgeen uiteindelijk resulteerde in een felle discussie tussen ons en de chauffeur. Het liep zó hoog op dat er een toevallig passerende oom agent aan te pas moest komen om de boel te sussen. Uiteindelijk konden we, zonder extra te betalen, onze weg vervolgen met een andere minibus die ons naar het door ons uitgezochte hotel in Berastagi bracht.
woordenlijst
hati: lever
hati hati: voorzichtig
dua puluh dua: 22
empat puluh: 40
sebentar lagi: nog even
saya tidak tahu: ik niet wist
sobat: vriend