- Op vrijdag 2 oktober 1998 zaten we in een Swissair toestel dat een tussenlanding op Kloten airport, Zürich maakte. Nadat we daar de tijd hadden gedood met het bekijken van de tax free shops met voornamelijk (koekoeks)klokken, kaas, speeldozen en chocolade ging de tocht na vijf uur verder richting Singapore. Daar stapten de meeste passagiers uit en kwam er slechts een handvol weer aan boord, voornamelijk Aziaten die evenals wij Jakarta als eindbestemming hadden. Na de paspoortcontrole was het ook nu weer goed opletten geblazen, want een aankomst in Jakarta is altijd chaotisch: de vermoeienissen van de reis, de drukte van het vliegveld, de plotselinge hitte, het zijn allemaal faktoren waardoor je je op dat moment niet bepaald relaxed voelt. Bovendien moet je in alle onderhandelingen waarbij geld te pas komt omschakelen in rupiah’s en op je hoede zijn om niet meteen al opgelicht te worden.
We werden aangesproken door een jonge airport host die aanbood ons te helpen de bagage naar de altijd wachtende, lange rij taxi’s te brengen, en nadat we met een taxichauffeur een redelijke ritprijs hadden afgesproken naar ons hotel, kwam op het laatste moment ons plan ter sprake om over een paar dagen naar Banda Aceh te vliegen. Het leek de hulpvaardige host het handigst om die vlucht nu alvast te boeken omdat het Garuda-kantoor hier was gevestigd, en terwijl ik in de taxi met de chauffeur aan de praat raakte, ging Paul er met hem heen om alles te regelen.
Even later reden we over de inmiddels beruchte tolweg in de richting van het hotel en spraken onderweg met Victor, de taxichauffeur, af dat hij ons maandagochtend vroeg om 05.00 uur zou komen ophalen om ons naar het vliegveld te rijden. Vlak voor donker kwamen we aan bij guesthouse Gondia dat we vanuit Nederland reeds hadden geboekt nadat ik een foldertje van dit hotelletje had aangetroffen in een boek over Indonesië uit de bibliotheek.
Deze reis hoefden we niet in de goedkoopste hotels te overnachten door de extreem lage koers van de rupiah (in korte tijd was de rupiah van ongeveer fl. 0,95 naar fl. 0,25 gedaald). Hoewel Gondia nu niet direkt gelegen was in één van de sjiekere buurten van Jakarta, bleek na een inspektie op ons appartement, dat voorzien was van airco en TV, niets aan te merken. Terwijl de ‘winterschilder’ de buitenboel een opknapbeurt gaf, kwam de kamerjongen ons verrassen met glazen limonade die wij met argusogen bekeken daar we niet wisten met wat voor water de ranja was aangelengd en wat de gevolgen voor onze maag zouden zijn.
De volgende dag liepen we op weg naar het treinstation door één van de vele stadskampongs toen daar opeens een fraai gekleurde duif opvloog. Het was een perkutut - de geluk brengende tortelduif - zeer geliefd bij Indonesiërs, die deze vogel graag als huisdier houden en die door zijn vreemde klanken ook wel lachvogel genoemd wordt.

'Westzijdsche pakhuizen', destijds een belangrijke opslagplaats voor specerijen en katoen
In een overvolle trein reden we die ochtend van station Gondangdia naar Kota, waarna we langs de zwarte stinkende Ciliwung rivier richting Sunda Kelapa liepen waar we het Bahari Museum bezochten. Dit gebouw, in 1652 door de Nederlanders gebouwd en destijds als de ‘Westzijdsche Pakhuizen’ een belangrijke opslagplaats voor specerijen en katoen, was als maritiem museum ingericht waarin ankers, watervaten, oude prenten en foto’s van migrerende Nederlanders waren uitgestald. Ook waren er replica’s van schepen en
prahu te bewonderen, maar het geheel leed zichtbaar onder het achterstallig onderhoud en ook was de verlichting onvoldoende om alles nauwkeurig te kunnen bekijken. Hierna stapten we nabij de Pasar Ikan in een
bajaj en lieten ons naar Taman Fatahillah in Kota rijden alwaar schuin tegenover het oude stadhuis verscholen achter palmbomen Café Batavia was gevestigd.
Toen wij dit goed onderhouden gebouw betraden dat in oudkoloniale stijl was ingericht, klonk er een Glenn Miller muziekje en de smaakvol geklede bedienden begroetten ons vriendelijk. Terwijl we op de eerste etage een duur drankje dronken aan een hoefijzervormige bar waarboven propellers draaiden, bekeken we de oude foto’s van o.a. Churchill, Juliana, Wilhelmina en Elizabeth II die ingelijst aan de wand hingen. Het was alsof deze bar, door Newsweek verkozen tot één van de besten ter wereld, was blijven steken in de tijd van vóór de soevereiniteitsoverdracht. Veel donker hout, zware rood fluwelen gordijnen, hoogpolige tapijten en zithoeken met luxueuze banken en fauteuils op podia: alles ademde de sfeer van het rijk van Insulinde en de richesse van de koloniale elite van weleer.

Eens het stadhuis van Batavia. Nu is dit gebouw uit 1710 bekend als Museum Kota dat is gevestigd aan de Taman Fatahillah
Even later liepen we door Glodok - de Chinese wijk - nadat we hadden ervaren dat geen enkele bajaj-rijder ons in de wijk zelf had willen brengen, en zagen er de grote zwartgeblakerde warenhuizen als stille getuigen van de rampok partijen die zich hier recentelijk hadden afgespeeld. Ons bekroop het gevoel dat de spanning van die roerige periode er nog steeds hing en dat die ieder moment opnieuw tot een ontlading zou kunnen komen, ondanks het feit dat het gewone dagelijkse leven zijn gang hernomen leek te hebben. Marktlui prijsden er hun koopwaar aan, de kraampjes op straat waren overdadig gevuld met groenten en fruit, en ook de zwarte handel in video’s en CD’s floreerde weer als vanouds. Maar daar tussendoor liepen vrouwen en meisjes schichtig blikkend met boodschappentassen rond, het gemoed ongetwijfeld nog vervuld van de voorbije gebeurtenissen, en de toekomst met allesbehalve vertrouwen tegemoetziend.

Dit Portugese kanon, met de naam Si Jagur, zou vrouwen van onvruchtbaarheid genezen. Ze moesten na een offer plaatsnemen op het kanon
Pas in de buurt van het Kota station zagen we weer motortaxi’s rijden en lieten ons naar het Gambir station (het hoofdstation van Jakarta) rijden, waarna we op straat in gesprek raakten met Lastri, een Indonesische juffrouw die zei iets met sportmedicijnen te studeren en het leuk vond van ons wat Nederlands te leren. Terwijl ze ons uitlegde waar we het Sarinah warenhuis konden vinden en ons erheen begeleidde, leerden we haar in het Nederlands tellen en gaandeweg werd ons duidelijk waar het haar om ging. Ze had natuurlijk geld nodig en was bereid daar veel voor te doen. Paul stopte haar wat geld toe en nadat we wat hadden gedronken bij McDonalds spraken we af dat we haar zouden opbellen na onze geplande Sumatra-trip, zodat ze ons tijdens een volgend bezoek aan Jakarta zou kunnen vergezellen als gids.
Op maandagochtend brak er een zware onweersbui los terwijl we onze rugzakken aan het pakken waren voor de reis naar Sumatra. Het liep al tegen vijf uur, dus haastten we ons naar de straat voor het hotel waar we met Victor, de chauffeur, hadden afgesproken. Om vijf uur precies was er nog steeds geen Victor, en de conciërge van het hotel, die zich nog ongeruster maakte dan wijzelf, had het over
jam karet en dat het vliegtuig daar niets van wist. Nadat hij ons daarvan had overtuigd sprong hij met een paraplu op de fiets en kwam even later met een andere taxi aangereden. Niet ver daarachter kwam nog een auto aangereden: het was natuurlijk Victor maar hij was te laat, dus stapten wij snel in de eerste taxi en reden weg met veel kassian voor de sympathieke Victor, want afspraak is afspraak en vliegtuigen wachten niet.